HET TEKENWONDER

het tekenwonder

– 30 minuten leestijd-

Na schooltijd gaat Jampie regelmatig op bezoek bij Dirk, zijn broer, op het kerkhof. Dan vertelt Jampie over school en thuis, en dat hij hem mist. Maar Dirk zegt nooit iets terug. Tot vandaag

Een slijmerige snottebel glijdt langzaam langs de binnenkant van zijn linker neusgat. Snel haalt hij zijn neus op. Van al dat getrek aan zijn slee is hij flink gaan zweten en door de ijzige wind die al urenlang langs zijn gezicht waait is kleine Jan daar van gaan snotteren.

Kleine Jan, of Jampie zoals zijn ouders, zijn zussen en de mensen in de buurt hem noemen, wacht met zijn handen op zijn rug, geduldig op de aanrollende auto.
Een zakdoek heeft Jampie niet bij zich. Trouwens, al zou hij een zakdoek bij zich hebben, die zou hij toch niet gebruiken. Hij heeft immers wollen wanten aan die zijn oma voor hem gebreid heeft. Om de paar minuten wrijft hij gewoon zijn linker- of zijn rechter hand onder zijn neus langs en kan hij er weer even tegenaan. Tot de volgende snottebel begint te glijden.

Jampie vindt dat de auto wel heel erg langzaam komt aanrijden. Hij begrijpt dat de bestuurders van auto’s het vandaag extra voorzichtig aandoen maar zó langzaam hoeft van hem nu ook weer niet. Hij maakt van de lange wachttijd gebruik om nog maar eens goed zijn neus op te halen.
De rubberen banden van de auto pletten de aangevroren smelt-sneeuw op hun weg. Op deze ijskoude middag is het knisperen van de ijs-sneeuw het enige geluid dat de witte stilte verstoort. De temperatuur is vandaag maar net aan boven het vriespunt geweest en dan alleen nog maar op de plekken waar de zon heeft geschenen.

“Glij niet op je plaat” hoort Jampie achter zich roepen. Er achteraan klinkt een lach.
Het is ouwe meneer Lok die juist de hoge schuifdeur van de houten krantenloods sluit. Opnieuw wordt de stilte op straat verstoord, door de harde knal die de dichtgaande deur maakt bij het raken van de andere deur. Ouwe Lok draait de sleutel in het slot en laat de lange roestige sleutel in de zak van zijn wollen jas glijden.
Jampie reageert niet op de gil van ouwe Lok. Zijn ogen zijn gericht op het bandenspoor op de weg. De zojuist gepasseerde auto heeft de aanvriezende smeltsneeuw netjes platgereden en Jampie weet dat juist dat stuk weg dan spekglad kan zijn. Voorzichtig trekt hij zijn rechtervoet uit de sneeuwsmurrie en stapt over het bandenspoor. Hetzelfde doet hij vervolgens met zijn andere voet. Iedere stap op de weg neemt hij zorgvuldig. Jampie is in zijn jonge leven al vaak genoeg onderuit gegleden in de sneeuw. Hij voelt dat er een laagje ijs onder zijn klomp is gevormd wat de kans op uitglijden vergroot. Jampie heeft bedacht dat hij verderop, bij zijn broer, het ijslaagje onder zijn klomp vandaan zal peuteren. Achter Jampie aan glijdt zijn houten slee schokkerig door de sneeuw. Hij heeft met een touw de slee achter aan zijn broek gebonden zodat hij beide handen vrij heeft. Handig voor het wegvegen van snottebellen en om te balanceren wanneer hij onderuit dreigt te gaan in de sneeuw

De sneeuwlaag op de stoep is nog vrij dik zodat elke stap een gat ter grootte van zijn klomp in de sneeuw veroorzaakt. Nog maar weinig mensen hebben hier gelopen en zand of pekel strooien doen ze hier sowieso nooit. Na een paar minuten staat Jampie bij het hoge gietijzeren hek van de begraafplaats. Hij trekt met kracht de sierlijke deurklink naar beneden wat een luid gekraak veroorzaakt en duwt het hek open. Jampie haalt nog eens zijn neus op. Voorzichtig sluit hij het hek achter zich. Hij wil geen onnodig geluid maken. Op de begraafplaats moet je stil zijn, vindt Jampie. Daarom vindt hij het ook maar raar dat alle paden op de begraafplaats gemaakt zijn van wit en grijs grind. Zelfs nu er sneeuw ligt beweegt het grind nog een beetje onder zijn klompen. Hij trekt de natte wanten van zijn rechterhand, stopt de wanten in zijn jaszak en maakt de knoop van het touw aan zijn broek los. Dat gaat niet in één keer. Hij blaast tussendoor eens goed op zijn verkleumde vingers om ze een beetje gevoel terug te geven.
De slee zet hij tegen de donkergroene hulst naast het hek. Om zo min mogelijk geluid te maken loopt Jampie altijd langs de zijkanten van het grindpad, waar de graven beginnen. Bijna overal zijn de graven aan de randen begroeit met gras, dat maakt geen geluid wanneer je er over heen loopt. Ook nu loopt Jampie langs de rand van het grindpad al kan hij door de sneeuw het gras niet zien. Maar omdat het grindpad iets lager ligt dan de graven ziet hij door het hoogteverschil van de sneeuw precies waar het grindpad loopt. Het grindpad heeft nu meer weg van een witte deken. Langzaam loopt Jampie langs de rand van het pad naar het achterste gedeelte van de begraafplaats. Soms ziet hij de sporen van kleine beesten zoals die van een poes en van vogels die typische streepjes achterlaten. Buiten de lichte dierensporen is het pad maagdelijk wit en zijn er, blijkbaar, vandaag geen mensen op bezoek geweest.

Krantengeld

“Hoi, Dirrek” zegt Jampie zachtjes, bijna op fluistertoon. Hij loopt over het graf van Dirk naar de witte steen en veegt het laagje sneeuw van de rand af. Met zijn klompen trapt hij een stukje sneeuw pal naast de grafsteen plat, daarbij draait hij een paar keer in het rond. Op dit platgetrapte stuk kan hij mooi even gaan zitten om zijn klompen aan de onderkant schoon te maken.

“Wat een krent is die ouwe Lok, zeg” zegt Jampie terwijl hij door zijn knieën zakt en met een zachte plof zijn kont in de koude sneeuw laat zakken.
“Ben wel vijf keer heneweer gelope. D’r lag een flinke stapel in de schuur dus ’t werd ook tijd.”

Jampie legt zijn rechterbeen over zijn linker knie en wurmt met zijn bijna gevoelloze vingers de houten klomp van zijn voet.
Elke woensdagmiddag na schooltijd brengt Jampie oude kranten naar Lok. Op zaterdagen gaat hij in de buurt de huizen langs en haalt oude kranten op. Soms komen buurtjes hun oude kranten zelf brengen en leggen zij hun oude kranten bij Jampie in de schuur wanneer ze vinden dat ze teveel kranten hebben liggen want soms zijn ze niet thuis wanneer Jampie langs komt om hun oude kranten op te halen. De buurtjes weten precies waar ze de oude kranten moeten neerleggen. Jampie heeft in de linkerhoek achter in de schuur een plek gemaakt waar hij de kranten opstapelt.

“Dat kom door de folders van Sinterklaas. Bijna alle mense hadde nou veel meer ouwe krante dan anders. En strakkies kom daar met de kerst ook weer meer papier bij. Van de kerrek en school. Die hebbe dan van die zing-boekies en zo en die gooie de mense dan bij de ouwe krante.’

De onderkant van de klomp is schoon. Alle stukjes sneeuw en ijs heeft Jampie met zijn vingers los gepeuterd. Maar door dit ijs-peuteren zijn de vingers van zijn linkerhand nog kouder geworden. Hij brengt de vingertoppen van de koude linkerhand bij elkaar en steekt alle vingertopjes met het topje van zijn duim tegen zijn mond die hij een klein beetje open heeft gedaan. Hij haalt diep adem en blaast met kracht warme lucht over zijn vingertoppen. Zijn rode wangen staan er bol van. Dit herhaalt hij een paar keer totdat er weer een beetje gevoel in zijn vingers is gekomen.

“Eén-vijftig.” vertelt Jampie. “Vorige week had ik één-veertig voor vijf kilo minder. Ouwe Lok zei dat komt omdat de ouwe krante nou effe wat minder waard zijn. Nou, Ik motter er anders wel meer voor door die pleuriskou gaan lope te sjouwe. Het zal wel.”

Jampie haalt zijn schouders op. Hij heeft de klomp weer terug aan zijn voet gedaan en tilt nu zijn linkerbeen over zijn rechterknie. Hij wil de klomp van zijn voet af halen maar besluit dan eerst nog eens de kou van zijn vingertoppen af te blazen en stopt de vingertoppen weer tegen zijn mond. Boven hem hoort hij het suizen van de wind langs de takken van de hoge dennenboom, die naast de witte grafsteen van Dirk staat, waaien. De takken en dennennaalden zwiepen hierdoor langs elkaar waardoor stukjes ijssneeuw van de takken vallen, pal naast Jampie en de steen van Dirk.

“Klerekou” mompelt Jampie. “Ouwe Lok zei datter weer sneeuw aan komt. Ken maar beter opschieten, het wordt al donker. Mama zal de eerepels al an’t schille zijn, denk.”

Met de warme aardappels met daarbij misschien wel een stukje vlees in gedachten peutert Jampie nu wat sneller. Hij vermoedt dat het elk moment kan gaan sneeuwen.

“Aster veel sneeuw kom strakkies dan ga ik na ’t eten misschien wel effe een sneeuwpop make, Dirrek. Net als toen wij dat saampies deeje, weet je nog? Toen had jij die gebreeje sjaal van papa nog uit de kast gepakt en om de nek van de sneeuwpop heen gedaan. Krege we mooi een flinke jetser tegen onze kneiter!”

Jampie kijkt op van zijn klomp naar de witte steen van Dirk. Hij haalt zijn neus op en veegt met zijn mouw ruw onder zijn neus langs. Langs zijn onderrug voelt hij een koude rilling en schudt uit reflex zijn bovenlichaam heen en weer.

“Nou, ik ga hoor. Kom morgen uit school anders wel weer effe. Heb ’t nu veels te koud”

Jampie krabbelt overeind en loopt naar de rand van het besneeuwde grindpad.

“Mazzel.”

“Klompen in de schuur!” roept Jampies moeder.
Jampie kijkt op maar hij kan zijn moeder niet zien. De ramen van de keuken zijn aan de binnenkant beslagen maar hij weet dat zijn moeder hem wel kan zien en hij weet ook dat hij z’n klompen niet in de warme keuken mag zetten. Toch meent zijn moeder elke dag hetzelfde te moeten roepen zodra ze hem de tuin in ziet lopen. Hij knoopt het touw opnieuw los van zijn broek en zet de slee rechtop tegen de muur van de schuur aan. Hij doet in de schuur zijn klompen uit en zet ze achterin waar hij eerder de stapel kranten vandaan heeft gehaald. De stukken gescheurde krant haalt hij uit zijn klompen en legt ze er naast. Die twee proppen oude krant zijn het begin van een nieuwe stapel oude kranten die volgende week naar ouwe Lok kunnen. Jampie doet met vrieskou altijd een stuk krant in zijn klompen om zo z’n voeten zo warm mogelijk te houden. Maar vandaag zijn er door het vele lopen stukjes sneeuw en ijs in de klompen terecht gekomen die door de warmte van zijn voeten zijn gaan smelten en de binnenkant van de klompen vochtig hebben gemaakt. Zijn geitewollen sokken zijn nat geworden. Dat voelde hij al halverwege de middag maar hij was aan de nattigheid en kou gewend geraakt. Straks binnen bij de kachel zal hij pas goed voelen hoe koud zijn voeten eigenlijk zijn, dan schrikken zijn voeten als het ware van de intense hitte van de kachel waardoor alles zal beginnen te tintelen. Dat is de laatste paar weken elke keer het geval wanneer Jampie een tijdje buiten in de sneeuw is geweest.

“Sokken ook weer zeikersnat zekers?” vraagt zijn moeder die aan het aanrecht staat op strenge toon. Ze heeft net als Jampie dikke geitenwollen sokken aan. Maar die van haar zijn droog.
“Flikker die natte zooi maar gelijk bij de was”
Zijn moeder kijkt hem niet aan, haar blik blijft gericht op haar twee bewegende handen boven een zwarte geëmailleerde braadpan. Jampie voelt een lichte golf van euforie door zijn verkleumde lichaam gaan. Tussen de handen van zijn moeder ziet hij een homp halfom gehakt die ze met rollende bewegingen tot een bal aan het vormen is en straks met vier andere ballen in een laag gesmolten roomboter zal gaan liggen te pruttelen. Het idee dat hij vanavond een gehaktbal bij het eten krijg doet hem meteen de kou over en door zijn lijf helemaal vergeten, het is immers niet zo vaak dat zijn moeder vlees braadt. Meestal eten ze groenten met aardappelen of soep met brood. Op het vuur staat een okergele geëmailleerde pan wat betekent dat hij vanavond ook verse appelmoes bij zijn gehaktbal krijgt want zijn moeder gebruikt deze gele pan uitsluitend voor het maken van appelmoes. Hij ruikt de de geur van de pruttelende appels al en ziet damp langs het gele deksel komen.

Snel loopt Jampie achter zijn moeder langs de keuken uit de korte hal in waar hij rechtsom de trap oploopt. Op de overloop hoort hij muziek. Het komt uit de slaapkamer van zijn zussen. Jampie kent deze muziek. Zijn twee zussen luisteren elke dag naar de radio. Meestal zijn het engelstalige liedjes die op de radio worden gedraaid en zijn zussen doen net of ze het verstaan en zingen luidkeels mee. Jampie denkt dat ze de woorden zelf verzinnen. Jampie’s vader en moeder luisteren liever naar muziek van Vader Abraham, Wilma en naar Ronnie Tober. Deze liedjes verstaat hij wel en soms neuriet Jampie wel eens mee.

Jampie loopt verder, de tweede trap op, naar zolder. Daar is zijn slaapkamer. Zijn bed staat aan de rechterkant van de kleine zolder waar het lage dak aan beide zijden schuin afloopt. Wanneer Jampie in bed ligt kan hij met zijn hand de balk van het dak aan de zijkant makkelijk aanraken. Aan de andere kant van de slaapkamer staat ook een bed. Dat is het bed van Dirk. Schuin boven dat bed is een klein vierkant raam dat op drie standen open kan. Maar Jampie laat het raam liever dicht. Het is al koud genoeg zonder kachel. Alleen beneden in de huiskamer is een kachel, die brandt op kolen. Soms zijn er geen kolen meer en dan blijft de kachel uit maar gelukkig lijkt die tijd voorbij. Zijn vader en moeder zaten soms, wanneer de kolen op waren onder een deken bij elkaar op de bank. Zijn zussen kropen bij elkaar in bed om warm te blijven. Jampie kroop vroeger  wel eens bij Dirk in bed of Dirk kwam bij hem, maar dat kan nu niet meer.

Jampie’s vader wilde het bed van Dirk na de begrafenis meteen weg halen maar Jampie vroeg of het bed mag blijven staan. Zijn vader vond het geen goed idee maar zijn moeder wist vader over te halen door te zeggen dat het bed wel dienst zou kunnen doen als logeerbed. Dat vond Jampie’s vader wel handig.

Jampie tikt tegen de lichtschakelaar. In het midden van zijn slaapkamer hangt één gloeilamp aan een draadje. De lamp geeft net genoeg licht om te kunnen zien waar je loopt. En omdat het enige raam op zolder zo klein is wordt het nooit echt licht in zijn slaapkamer.

Jampie doet snel zijn natte kleren uit. Uit zijn broekzak haalt hij de zes kwartjes die hij vandaag heeft verdiend met het wegbrengen van de oude kranten en houdt het in zijn vuist. Hij legt de broek over de leuning van de stoel naast zijn bed zodat de broek kan drogen. Hij bukt en reikt met zijn vrije hand onder het bed bij het hoofdeinde en haalt een sigarenkistje tevoorschijn. Met het sigarenkistje gaat Jampie op bed zitten en zet het kistje naar zich neer. De zes kwartjes legt hij op de wollen deken naast het kistje. Jampie haalt de twee dikke bruine elastieken, die strak om het kistje zijn gebonden, van het kistje af en opent het dekseltje. Jampie ziet meteen dat er iets niet klopt. Hij pakt het geopende kistje op en houdt het schuin zodat het licht van de hangende gloeilamp in het kistje valt. Hij zag het goed. Vorige week lagen er nog knaken in maar die zijn weg. Hij legt de knaken na het tellen altijd in de linkerbovenhoek van het kistje en naarmate er meer knaken komen legt hij die eronder. Naast de knaken legt hij de guldens, dan de kwartjes, dubbeltjes, stuivers en helemaal rechts de centen. Soms glijdt de boel wel eens een beetje door elkaar maar nooit heel erg.

Jampie zet het kistje op zijn knieën. Hij pakt er een gulden uit.
“Eén,” mompelt Jampie Eén voor één pakt hij de guldens uit het kistje. “Twee, drie, vier, vijf, zes, zeven,acht, negen.”
Jampie kijkt stilzwijgend naar de negen guldens in zijn hand en naar de rest van het kleingeld. Hij vermoedt dat de rest van het geld in het kistje nog wel klopt. Het zijn de knaken en wat guldens die hij mist. Vorige week toen hij de één-veertig er bij deed zaten er totaal 23 guldens in en 6 knaken. Plus een hele berg kwartjes, wat dubbeltjes, stuivers en centen. Jampie stopt meestal de dubbeltjes, stuivers en centen die hij van Lok ontvangt in de oude lederen portemonnaie die hij ooit van zijn opa heeft gekregen. Zijn opa had een nieuwe portemonnaie gekocht en toen mocht Jampie zijn oude wel hebben. Jampie draagt de portemonnaie altijd in zijn jaszak mee. Niemand weet dat hij de portemonnaie bij zich draagt. De portemonnaie verbergt hij in de kapotte voering van zijn jas. In de zomer gaat hij van zijn bewaarde geld in de lederen portemonnaie wel eens ijs kopen bij de melkboer. Of snoep uit de dubbeltjespot bij sigarenboer.

Jampie doet de negen guldens in zijn hand en de zes kwartjes in het kistje en sluit het deksel. De elastieken bindt hij er zo strak mogelijk omheen. Hij kijkt de kamer in en denkt aan een nieuwe plek om het kistje te verbergen. Veel nieuwe plekjes zijn er niet want zijn moeder vind het kistje iedere keer. Dan krijgt hij een idee. Het bed van Dirk. Daar komt zijn moeder nooit. Jampie staat op en loopt naar het bed van Dirk. Hij kijkt naar het voeteneind, dan naar het hoofdeind. Hij twijfelt even maar besluit het kistje voor nu onder het kussen te leggen.
Jampie pakt een schoon paar geitewollen sokken uit de kast, trekt een droog hemd aan met daar over heen een wollen trui en kruipt in zijn bed onder de dikke wollen dekens. Zo kan hij lekker opwarmen totdat het etenstijd is. Hij kan de geur van de gehaktballen al ruiken.

Het witte laken heeft Jampie over de rand van de wollen dekens heen geslagen en tot aan zijn neus opgetrokken. Zo staart hij minutenlang naar de houten balk boven zijn bed en de houten latten daarachter die de dakpannen op hun plaats houden. Hij hoort tussen de dakpannen de wind  fluiten wat betekent dat de wind is gaan aantrekken en er ieder moment sneeuw kan gaan vallen. Zijn plan om na het eten een sneeuwpop te gaan maken heeft hij uit zijn hoofd gezet. Een sneeuwpop maken heeft hij nu geen zin meer in.

Hij hoort tikjes tegen de houten latten boven zich. Er is één dakpan die met harde wind altijd een beetje rammelt. Dat rammelen begint langzaam met kleine tikken tegen de houten latten. Jampie is soms wel eens bang dat de dakpan er af waait en dat hij dan naar buiten kan kijken en regen of sneeuw in zijn gezicht krijgt.

 

Boem. Het geluid van het dichtslaan van de voordeur. Jampie schrikt er van wakker. Is hij toch per ongeluk in slaap gevallen. Hij slaat de dekens van zich af en springt uit bed. Het dichtslaan van de deur betekent dat zijn vader thuis is. Hij voelt aan zijn broek die hij over de stoel heeft gehangen maar die is nog nat. Hij trekt gauw een schone broek aan, grist de natte broek van de stoel en rent razendsnel naar beneden. Op de overloop hoort hij zijn zussen op hun kamer zingen op de vrolijke tonen van A.B.C van The Jacksons.

“Kom maar hier met die zeikbroek” snauwt zijn moeder.
Jampie geeft zijn natte broek aan zijn moeder die er mee de kamer in loopt en daar over een hangertje boven de kachel hangt.
“Hoi pap” zegt Jampie.
Zijn vader zit op de bank met zijn voeten dicht tegen de kachel.
“Knul” zegt zijn vader. “Hebbie de krante gedaan?
Jampie knikt en gaat naast zijn vader zitten.
“Heb wel vijf keer moete lope. Krante brenge allenig weinig op nou. Kom door de Sinterklaas zei Lok.”
“Ja” zegt zijn vader “Zal de rest van de maand niet anders zijn denk. Anders wacht je tot na de kerst met wegbrengen”
“Is m’n kar veels te klein voor, die is niet groter dan m’n slee, ken ik de hele dag heen en weer gaan lope te sjouwe! Of dan mot ik die lompe ijzere kar van hem gaan lene.”
Jampie laat zich achterover in de zachte bank zakken en zucht.
“Ken net zo goed helemaal stoppe met die klote krante.”
Zijn vader kijkt hem verbaasd aan.
“Hoezo dat nou weer? Gaan we in ene lui weze? Je wou het toch zelluf?”
Jampie haalt zijn schouders op.
“Assie steeds m’n kissie leeg haalt heb ik er geen zin meer in”
Zijn vader is stil. Alleen een bijna onhoorbaar “mmmm” komt tussen zijn lippen vandaan. Hij staat op, loopt de kamer uit en trekt de deur achter zich dicht.
Jampie blijft alleen achter op de bank in de stille huiskamer. De kleine zwart wit tv in de hoek op een houten kastje staat uit want op dit vroege uur is nog niks op tv. Zijn vader zet de tv altijd pas na het eten aan. Dan kijken ze Floris of Swiebertje.

 

Jampie hoort stemmen in de keuken. De zware stem van zijn vader klinkt dof achter de gesloten kamerdeur en omdat zijn vader binnensmonds praat kan hij niet goed verstaan wat hij zegt. Zijn moeder praat erg luid, zoals altijd, soms schreeuwt ze zelfs. Zijn moeder kan hij door de deur heen wel verstaan. Jampie staat op van de bank en loopt naar de kamerdeur. Voorzichtig trekt hij de klink naar beneden en trekt de deur op een kiertje. De keukendeur is ook dicht zie hij nu. Zijn vader zal die achter zich dicht hebben gedaan denkt Jampie.

“Die meide hadde klere nodig voor kersemus op school en de kerrek.” hoort hij zijn moeder achter de gesloten keukendeur zeggen.
Hierna zegt zijn vader wat terug maar Jampie kan het niet goed horen. Het blijft stil. Jampie had verwacht dat zijn moeder iets terug zou zeggen maar kennelijk heeft ze besloten om dat niet te doen. Wat hij wel hoort is het dichtslaan van de deurtjes van de keukenkastjes en de koelkast. Weer is het stil. Jampie wil net zijn hoofd wat verder door de kier van de kamerdeur steken maar hoort dan een piepend geluid. Hij ziet de metalen deurklink van de keukendeur langzaam naar beneden gaan. Vlug doet hij de kamerdeur dicht en loopt zo snel hij kan terug naar de bank waar hij een rondslingerende Donald Duck vindt en die op zijn knieën openslaat. De kamerdeur gaat open, Jampie kijkt op van zijn Donald Duck. Zijn vader loopt de kamer in, opent de twee deurtjes van het kastje onder de tv en kijkt er in. Hij voelt met zijn rechterhand in het kastje en sluit de deurtjes. Hij loopt vervolgens naar de achterkamer en opent daar elke lade en deur die in de grote wandkast te vinden is. Even later loopt hij met een fles, die hij onder in de kast gevonden heeft, in zijn hand naar de keuken. De kamerdeur laat hij open staan. Bij het naar binnen lopen van de keuken laat hij de keukendeur ook ongemoeid. Jampie blijft op de bank zitten en kan via de opening van de kamerdeur en de keukendeur precies het fornuis in de keuken zien.

“Afgelopen met die onzin” schreeuwt Jampie’s vader. De fles in zijn hand komt met kracht neer op het granieten aanrecht.
Jampie ziet zijn moeder bij het fornuis staan met haar gezicht naar beneden gericht vlak boven de dampende pannen. Zij zegt niets.
“We hebben al ellende genoeg, je hoeft er geen probleem bij te maken” hoort hij zijn vader zeggen.
“Ik maak helemaal geen probleem” schreeuwt zijn moeder zonder haar hoofd te bewegen. Haar zwarte haren hangen als vettige slierten langs haar wangen.
“Dat doe je wel en stiekem de cente van je zoon pakke betekent voor mij dat het probleem al groter is dan ik dacht” zegt zijn vader, nu op rustiger toon.
“Dat jong heeft dat geld nu toch niet nodig!” zegt Jampie’s moeder. Haar stem klinkt nu ook een stuk zachter. Ze beweegt haar hoofd naar rechts waar zijn vader staat maar Jampie kan zijn vader niet zien omdat de keukendeur niet helemaal open staat.
“Hou maar op” zegt zijn vader “Niet nu, we gaan eten”.

“Jampie!” roep vader een stuk luider vanuit de keuken
“Jááá!” roept Jampie terug.
“Ga je zussen roepen voor het eten”
Jampie veegt de Donald Duck van zijn knieën, springt van de bank en tippelt de kamer uit de trap op. Onderweg naar boven hoort hij zijn vader tegen zijn moeder mompelen.

Jampie opent de slaapkamerdeur van zijn zussen en steekt alleen zijn hoofd een stukje door de deuropening. De muziek in hun kamer staat zo hard dat ze niets gehoord hebben van wat er zojuist beneden in de keuken plaats vond.
“Eten! roept Jampie de kamer in.
Zijn zussen die op bed zitten met hun rug naar de deur kijken allebei om.
“Jahaaa” roepen zij in koor. “En opzouten, nieuwsgierig aagje” zegt zijn zus Marja er achteraan.
Jampie was niet van plan om te blijven staan. Hij ziet zijn zussen liever niet dan wel. Marja en Tineke zijn als twee handen op één buik. Altijd al zo geweest. Typisch een eeneiige tweeling.

Jampie is aan zijn kattige zussen gewend. Ze zijn vier jaar ouder dan hij en zitten op de huishoudschool in Nieuwerkerk aan den IJssel, zes kilometer van huis. Zelf noemen ze hun school de spinazie academie. Hierdoor heeft Jampie het idee gekregen dat ze op school alleen maar spinazie aan het koken zijn en hij heeft wel eens gevraagd waarom ze thuis niet een keer spinazie gaan koken want hij vind de spinazie die zijn moeder maakt maar groene smurrie zonder smaak. Zijn zussen lachten hem uit en noemden hem een boeresukkel. Jampie haalde zijn schouders op. Soms steekt hij wel eens zijn tong naar ze uit maar dan gaan ze alleen nog maar harder krijsen.

Jampie heeft in bed wel eens, voordat hij in slaap viel, gevraagd aan de Here Jezus waarom niet zijn zussen onder die klote vrachtwagen konden komen in plaats van Dirk. Jampie voelde aan de vervelende kriebel in zijn buik meteen dat hij dat niet had mogen vragen, maar hij kan er niks aan doen. Met Dirk was hij goede maatjes. Ook al was Dirk een stuk ouder. Dirk zat op de Eerste Technische school aan de Gordelweg, in Rotterdam. Dirk vertelde Jampie alles en hielp hem vaak met zijn huiswerk want huiswerk maken valt voor Jampie niet mee. Dirk wilde automonteur worden. Hij was handig in het uit elkaar halen en weer in elkaar zetten van brommers. Dirk heeft vlak voor zijn ongeluk een tweedehands Kreidler gekocht en opgevoerd zodat die harder reed. “Had hij dat maar niet gedaan” denkt Jampie vaak. De chauffeur van de vrachtwagen heeft Dirk niet zien aankomen en zijn ouders zeggen dat het komt doordat Dirk veel te hard reed.

“Uit!” roept Jampie’s moeder naar Marja en Tineke. Ze dragen beide een nieuw fluwelen jurkje. Die van Marja is paars en die van Tineke is zwart. Beide jurkjes hebben goudkleurige streepjes langs de mouwen en langs de onderkant van het jurkje.
“Is voor de kersemus.” roept Jampie’s moeder naar de tweeling. “Dalijk komter vrete op en dat krijgie d’r haast niet uit dus hup naar boven en je gewone kleer an.”
“Jemig zeg’ jammert Tineke “Wilde het alleen aan papa late zien”
“Is mooi, meiden” mompelt Jampie’s vader vanachter een krant op de bank.
“Ja dahaag” zegt Marja, je zit niet eens te kijke!”
Jampie’s vader zegt niets.

Na het eten heeft Jampie met zijn vader, moeder en zijn zussen naar Floris gekeken. Daarna is hij meteen naar bed gegaan. Hij had eigenlijk woordjes moeten maken voor huiswerk maar is dat vergeten. Daar dacht hij pas aan toen hij in bed lag. Zijn vader is nog even naar boven gekomen en heeft tegen Jampie gezegd dat hij de centjes die zijn moeder uit het kistje heeft gehaald een keer terug zal geven. Vlak voordat Jampie in slaap viel heeft hij de klok van de hervormde kerk, die niet ver van het huis staat, acht keer horen slaan.

Jampie schuifelt zenuwachtig heen en weer op zijn stoel. Hij ziet het woordjesboek op het bureau van de meester liggen. Schichtig kijkt hij om zich heen en ziet dat de andere kinderen hun woordjes -schrift klaar hebben liggen.
Jampie rommelt wat in zijn tas die tegen de hete radiator onder het ram aan staat. Zijn tas is door de hete verwarming aan de achterkant erg warm geworden en geeft hierdoor een typische weeïge geur af. De geur doet hem denken aan Dirk toen hij in de kist lag vlak voordat hij werd begraven. Jampie heeft tot het moment dat de kist definitief dicht ging bij Dirk gestaan.

“Vandaag doen we eerst de woordjes” zegt de meester. Zijn stem is luid en rolt als een grote, lelijke, grijze rots door de klas heen. Zo voelt Jampie dat altijd. Hij vindt het niet fijn bij meester Fransen in de klas. Meester Fransen trekt de meisjes altijd voor.

“Jullie gaan vandaag zelf huiswerk nakijken en we gaan daarna iets doen voor kerstmis.
In de klas ontstaat enige roering over het nieuws dat ze iets voor kerst gaan doen maar meester Fransen smoort het enthousiasme van zijn jonge leerlingen meteen in de kiem.
“Tanja, begin jij maar bij het eerste woordje.”
Tanja begint met het hardop vervoegen van het woordje ‘pakken’.
Jampie voelt een beetje paniek. Hij telt de kinderen die voor hem zitten en telt dan de woordjes van boven naar beneden. Hij is het achtste kind dus zal hij het achtste woordje moeten oplezen. ‘Beleven’ Jampie denkt snel na.
“Beleven…beleve. Nou zallie wat beleve” denkt Jampie, dat zegt zijn moeder altijd. Jampie begint met schrijven.

“Jan” zegt de meester nadat de zeven kinderen voor hem een beurt gehad hebben.  “Voor jou hebben we ‘beleven’”
Jampie aarzelt even en begint dan met oplezen. “Ik bb..beleeft”
“Fout! buldert meester Fransen “Wat hebben we geleerd? Ik….lust..”
Hierop maken de kinderen in de klas in koor zijn zin af: “ …Geen thee!” en beginnen hard te lachen.
“Oh ja”zegt jampie. “Ik lust geen thee.”
Hij kijkt omlaag met zijn hoofd vlak boven zijn schrift.
Meester Fransen heeft vaak gezegd “Ik lust geen thee” maar Jampie begrijpt niet zo goed wat hij daarmee bedoelt. Hij vind thee namelijk erg lekker. Met zijn moeder drinkt hij na schooltijd vaak een kopje thee. Met veel suiker.

“Ga maar verder, Jan” zegt de meester.
Jampie kijkt in zijn schrift. “Jij beleef”
“Fout!” buldert de meester weer. “Pim, neem jij het maar meteen over.”

Jampie zucht diep.
“Jampie is een boer” fluistert één van zijn klasgenootjes, net luid genoeg dat hij en de andere kinderen het kunnen horen en sommige kinderen moeten hierom gniffelen. Maar Jampie is wel gewend dat de kinderen hem een boer noemen. Hij trekt zich er al niets meer van aan. Jampie is allang blij dat de meester niet door blijft zeuren en zijn beurt aan Pim geeft.

Na de woordjes moeten alle kinderen hun huiswerk inleveren. De meester vertelt met een brede grijns op zijn gezicht dat zij de rest van de ochtend een tekening mogen maken. Ze mogen zelf verzinnen wat ze gaan tekenen zolang het maar met kerst te maken heeft. Alle kinderen van de school, in alle klassen, mogen een tekening maken. Vanmiddag gaan de meesters en de juffen alle tekeningen ophangen en dan mogen de kinderen zelf kiezen welke tekening zij het mooist vinden. De tekening met de meeste stemmen zal worden gebruikt voor de omslag van het programma voor de kerstviering in de hervormde kerk. Jampie is direct het voorval met de woordjes vergeten en wordt zelfs een beetje blij. Tekenen vindt hij leuk.  Net als Dirk, die kon heel goed tekenen. Hij tekende soms zangers en zangeressen uit Muziek Expres na.

Zonder na te denken begint Jampie op het witte papier te tekenen. Hij hoort niets en zegt niets. Jampie heeft geen benul van tijd en kijkt niet op of om. Hij tekent in diepe rust, het lijkt wel of hij afgesloten is van de rest van de wereld. Het is alleen hij en de tekening die vanuit zijn hoofd op het witte papier verschijnt.
Wanneer hij klaar is met zijn tekening kijkt Jampie om zich heen. Hij ziet de andere kinderen nog druk tekenen. Sommige kinderen kijken bij elkaar en apen na. De tekeningen die hij zo snel kan zien vindt hij maar niks, hij vindt zijn eigen tekening het mooist.
De meester heeft gezegd dat iedereen zijn of haar naam in het klein in de rechter hoek op de achterkant moet zetten zodat niemand bij het kiezen kan worden voorgetrokken. Jampie controleert voorzichtig of zijn tekening helemaal droog is. Hij staat op en loopt naar de meester die de woordjes-schriften van de kinderen aan het nakijken is.

“Als eerste klaar?” vraagt meester Fransen verbaasd aan Jampie. “Leg maar hier” De meester wijst naar de lege linkerbovenhoek van zijn bureau die hij speciaal heeft vrij gemaakt voor de tekeningen.
“Op zijn kop, Jan” zegt de meester streng. “En neem dit maar mee naar huis. Morgen wil ik het terug van je met een handtekening van je moeder of vader.”
Jampie neemt de envelop aan die de meester hem aanreikt. Hij weet dat wat er in de envelop zit geen goed nieuws voor hem is. Hij besluit meteen dat hij zal wachten tot vanavond wanneer zijn vader thuis is van zijn werk en het dan aan hem zal geven. Als hij het tussen de middag met eten aan zijn moeder zou geven weet hij dat ze begint te zeuren.

Na de lunch, die de kinderen bijna allemaal, zoals altijd, bij hun moeders thuis hebben gegeten, neemt de meester Jampie en de andere kinderen van zijn klas mee naar het lokaal naast de zesde klas. De muren van het lokaal zijn helemaal volgehangen met tekeningen. De kinderen krijgen rustig de tijd om hun favoriete tekening te kiezen. Je mag niet op je eigen tekening stemmen.

Jampie kijkt aandachtig naar de tekeningen. Hij is niet onder de indruk. Sommige tekeningen slaan helemaal nergens op en zijn nog slechter dan de tekeningen die hij maakte toen hij vijf jaar was, vindt hij. De meeste kinderen staan lang stil in de buurt van zijn tekening. Hij hoort de kinderen tegen elkaar fluisteren dat ze de kaars-tekening het mooist vinden. Hij begint er van te gloeien. “Zou het?” denkt hij.

Aan het eind van de dag komt de meester met de uitslag. Hij zegt niet meteen wie de mooiste tekening heeft gemaakt maar hangt de tekening op het bord.
“Jááá” roepen de kinderen door elkaar. “Daar heb ik op gestemd!”
Het is een tekening van een brede druipkaars. Langs de randen van de kaars druipen dikke druppels kaarsvet. In het midden van de kaars lijkt de vlam te bewegen, zo echt is het getekend. Onder aan de kaars liggen dennentakken door elkaar heen die stuk voor stuk zo van een dennenboom lijken te zijn geplukt. Jampie voelt een warme gloed door zijn lichaam gaan. Zijn hoofd wordt rood en hij voelt dat zijn hart sneller begint te kloppen. Hij begint zelfs een beetje te beven en gaat wat rechter op zijn stoel zitten, alsof hij iets groter wil zijn. Zijn gezicht straalt.

“Willen jullie weten wie deze mooie tekening gemaakt heeft?” vraagt de meester.
“Jááá” roepen de kinderen in koor.
De meester pakt de tekening van het bord. Hij zegt even nog niets, de kinderen in de klas zijn doodstil.
“Onze eigen Jan” buldert de meester vol trots.
De kinderen juichen en draaien allemaal hun gezicht naar Jampie. Van de kinderen achter hem krijgt hij schouderklopjes. “Zo hé, mooi hoor” “Jij kan mooi tekenen zeg!” zeggen de kinderen tegen hem. Jampie voelt de adrenaline door zijn aderen gieren maar probeert rustig te blijven. Hij zegt niets maar knikt onwennig. De brede lach op zijn gezicht lijkt alsmaar groter te willen worden.

Zo vlug als hij kan rent Jampie over de dikke laag sneeuw. Hij voelt dat de onderkant van zijn voeten al nat beginnen te worden. Naar school draagt hij gewone schoenen, niet zijn klompen want anders lachen de kinderen hem uit, maar het liefst zou hij elke dag zijn klompen dragen. Klompen zijn veel warmer dan deze oude schoenen die nog van Dirk zijn geweest.
In plaats van naar huis te gaan rent Jampie naar de begraafplaats. Hij wil Dirk vertellen van zijn tekening. Hij rent door de Dorpsstraat, langs de melkboer, de bakker.  Op het hoekje langs de sigarenboer waar hij wel eens snoep koopt, gaat hij linksaf. De sneeuw is op sommige plekken door de winkeliers en de bewoners weggeveegd. Op die plekken is het gladder dan in de hoge sneeuw en kijkt hij extra goed uit dat hij niet uitglijdt.

Onder de dikke laag sneeuw die afgelopen nacht gevallen is kun je de scheiding tussen het grindpad en de graven niet meer zien. Alleen de verweerde grafstenen die keurig naast elkaar staan en enkele hoge planten, die nu een deftige, hoge, witte hoed dragen, zijn nog zichtbaar. Bij de ingang van de begraafplaats zag Jampie verschillende voetsporen. Net voorbij de aula waar meerdere smalle grindpaden verspringen hebben de voetsporen ieder een eigen weg gekozen. Het pad waar hij in gaat is vrij van voetsporen. Hij staat stil aan het begin van het pad en neemt dan een stap naar rechts. Hij schat in waar de scheiding tussen grindpad en graven is en neemt een grote stap naar voren. De volgende stap is net zo groot. Zo probeert hij zo min mogelijk gaten in het witte sneeuwdek te maken en blijft het pad mooi egaal wit. Halverwege ziet hij toch een klein spoor van oneffenheden in de sneeuw. Het spoor komt van rechts en kriskrast over het grindpad. Jampie denkt dat het een muisje is geweest want de sporen zijn heel subtiel. Een sleep-spoortje. Een stukje verder verdwijnt het spoor weer van het pad. Bij het graf van Dirk staat Jampie stil. Aan de rechterkant, vlak naast de steen, is de zitplek die hij gisteren heeft gemaakt niet meer te zien door de vers gevallen sneeuw. Hij neemt twee grote stappen en bukt om met beide handen sneeuw van achter de steen en van rechts bij elkaar te vegen waarmee hij een nieuwe zitplek maakt. Met zijn voeten stampt hij de sneeuw een beetje aan en gaat zitten. Hij kijkt naar boven, naar de dikke laag sneeuw op de takken. “Als er maar geen windvlaag komt” denkt Jampie. Hij trekt zijn wollen handschoenen uit, veegt met zijn blote hand een hoekje sneeuw van de grafsteen en legt de handschoenen boven op elkaar op het sneeuwvrije hoekje.

“Ze vonde m’n tekening mooi.” zegt Jampie zachtjes, een wolk witte damp verschijnt hierbij uit zijn mond en lost direct op boven zijn hoofd. Hij kijkt omlaag, met de wijsvinger van zijn rechterhand trekt hij langzaam een spoor door de sneeuw op het graf van Dirk. “Vonde ze me gelijk aardig. De meester ook. Ze gaan de tekening gebruike voor het kerstboekie, dan hebbe alle mensen mijn tekening.”

Zijn wijsvinger trekt onafgebroken een spoor door de sneeuw en maakt soms een bochtje. Jampie zucht. Weer verschijnt een witte wolk die snel boven zijn hoofd, in de lucht, oplost.

“Maar ik krijg toch wel op me lazer want had m’n huiswerrek nie gemaakt. “Jampie haalt zijn schouders op. “Had niks uitgemaakt denk want snapter toch geen ene moer van. Teringwoorties. En de meester heb me een brieffie gegeven dat ik aan papa en mama moe geve. Nou, zallik wat beleve. Ik geef strakkies eerst dat brieffie wel en als ze dan uitgekoert zijn zeg ik ’t wel van m’n tekening. Dan vergete ze misschien dat brieffie wel.”

In de sneeuw voor hem is een wirwar van sporen door elkaar en naast elkaar ontstaan Hij is met zijn wijsvinger niet één keer door zijn zelf gemaakte spoor gegaan. Hij probeert het getrokken spoor in tact te houden en beweegt naar zijn linkerzijde waar het sneeuwdek nog helemaal glad is. Zonder iets te zeggen tuurt Jampie naar zijn eigen vinger die langzaam rechte lijnen, krullen en bochtjes in de sneeuw creëert. Minuten gaan voorbij.

Dan hoort hij in de top van de boom het suizen van de wind. Hij trekt zijn vinger uit de sneeuw en kijkt verschrikt omhoog want  het was windstil. Droge sneeuwvlokjes dwarrelen langs zijn neus. De windvlaag is net zo snel verdwenen als dat die opkwam. Langs zijn rug voelt Jampie een rilling gaan.

“Kladblok”
“Huh?” zegt Jampie hardop en kijkt om. Niemand. Hij staat op en kijkt  om zich heen. Het is muisstil en niemand te zien. Hij weet toch haast zeker dat hij iets hoorde.
“Kladblok?” mompelt Jampie. Hij kijkt naar de steen van Dirk. Zijn wenkbrauwen zijn gefronst.
Jampie weet zelf niet goed of hij nou echt iets gehoord heeft of dat hij het zich verbeeld heeft.
“Bennie bang hoor” zegt Jampie hardop. Hij draait voor de zekerheid nog eens zijn hoofd naar links en rechts maar er is niemand in de buurt.

“Nou, ik ga maar gelijk.”

Jampie tilt zijn rechtervoet op om deze in de voetstap te plaatsen die hij zelf eerder gemaakt heeft toen hij arriveerde maar hij stopt zijn beweging en zet zijn voet terug. In de sneeuw, in het spoor dat hij heeft getrokken met zijn vinger, herkent hij een vorm. Hij draait zijn hoofd een beetje. Een fiets. Hij heeft een fiets getekend in de sneeuw. Jampie moet er een beetje om lachen. “Krijg nou de tering. Een fiets!”

Onderweg naar huis, bij de kruising Noordelijke Dwarsweg en de straat waar hij zelf woont, de Burgemeester Klinkhamerweg, ziet Jampie een vrouw zich met moeite door de dikke laag sneeuw banen op haar fiets. Ze heeft een rieten boodschappentas aan haar stuur dat gevaarlijk heen en weer bibbert. Hij hoopt dat ze niet gaat vallen want dan zou ze zomaar iets kunnen breken. Maar de vrouw fietst, ondanks de lastige dikke laag sneeuw, met bibberend stuur verder over de bandensporen die eerder gepasseerde auto’s en fietsen hebben achter gelaten. Langzaam verdwijnt de fietsende vrouw uit zicht. “Heb geeneens geen fiets.” mompelt hij met zijn gedachten bij de tekening in sneeuw.

Op de deurmat in de keuken doet Jampie zijn schoenen uit. Zijn moeder ziet hij niet. Op het aanrecht naast de koffiekan ziet hij een glas met daarin een bodempje appelsap. Hij hoopte dat zijn moeder thee had gemaakt maar de theepot ziet hij niet. Hij pakt het glas appelsap en neemt een slokje. Met luid geproest spuugt hij de appelsap direct weer uit zo over het aanrecht.
“Gatver!” Jampie spuugt een paar keer in de gootsteen en zet het glas neer. Snel draait hij de kraan open, pakt een beker van het aanrecht, spoelt deze om en laat de beker met water volstromen. Hij neemt een paar flinke slokken en zet de beker met water terug op het aanrecht.

“Tering zeg, dat is vies.”
“Wat is dat voor herrie?” hoort hij zijn moeder roepen. Ze komt van boven de trap af lopen.
Jampie draait zich om en pakt zijn schoenen. “Niks. Kouwe voeten, ik zet m’n schoenen bij de kachel dat ze kenne droge!”
Zijn moeder staat stil bij het aanrecht en beweegt haar linkerhand naar het glas waar Jampie net een slok uit nam. Hij ziet in zijn ooghoeken dat zijn moeder het glas naar achteren schuift en dat ze naar hem kijkt. Hij kijkt niet op en loopt met zijn schoenen in zijn handen de keuken uit naar de warme huiskamer.
“Ik maak wel thee voor ons” hoort hij zijn moeder achter zich zeggen”
“Lekker” zegt Jampie.

Samen drinken zij aan de eettafel een kopje thee, met veel suiker. Jampie zit in een Donald Duck te lezen. Zijn moeder staart naar buiten.
“Zodra je vader wat cente over heb dan geef hij je wel wat.” zegt zijn moeder. Jampie kijkt op naar zijn moeder. Zij houdt haar blik naar buiten gericht.
Jampie richt zijn blik weer op het verhaal in de Donald Duck.

“Zijn mooie jurkies van die meiden, hè? Hebbe ze echt nodig voor de kersemus.”
Jampie kijkt weer op. Zijn moeder heeft haar theekopje in beide handen. Haar blik is nu gericht op de Donald Duck van Jampie.
“Wat moet ik aan met kersemus?” vraagt Jampie.
Zijn moeder neemt een slokje van haar thee en zoals altijd slurpt ze daarbij. Jampie kan het slurpende geluid van zijn moeder niet uitstaan. Hij heeft er al een paar keer iets van gezegd maar ze zei dat hij niet zo brutaal moet zijn. Toch doet ze dan even haar best en neemt ze voorzichtig kleine slokjes zonder te slurpen. Alleen het doorslikken hoort hij dan en er achteraan klinkt een heel zacht “Aáááh’.
“Kijk strakkies maar effe of die nette zwarte broek van Dirk boven in de kast je al een bietje past, hij zal nog te groot zijn maar ik ken em wel een stukkie inneme. “
“Ok” mompelt Jampie, hij neemt een slokje thee en leest verder in zijn Donald Duck. Jampie zegt zijn moeder niets over het briefje in de envelop van meester Fransen en van zijn mooie tekening voor het programma voor het kerstfeest.

De muurkast op zolder deelde Jampie met Dirk. Na het overlijden van Dirk zei Jampie’s moeder dat hij alle kleding maar moet laten liggen en hangen. Het komt vanzelf wel een keer van pas wanneer hij wat gegroeid is. Jampie reikt naar de bovenste plank in de kast waar Dirk zijn broeken bewaarde. Tussen een blauwe jeans en een donkerrode rib fluwelen broek vindt hij een zwarte glimmende broek en haalt deze er tussenuit. Hij knoopt de broek die hij aan heeft los en trekt de zwarte broek van Dirk aan zijn benen. Hij ziet meteen dat de broek te lang is. Bij zijn buik is ook nog veel ruimte, zijn vuist past er met gemak tussen. Hij trekt de broek uit en legt de broek op het netjes opgemaakte bed van Dirk. Tijdens het aantrekken van zijn eigen broek hinkelt hij onhandig met nog maar één been in de broek naar de muurkast om deze te sluiten. Bij het draaien van de sleutel stopt hij plotseling. Jampie trekt de deur weer open en zakt door zijn knieën. Rechts onderin de kast, onder de jassen die aan een hangertje hangen bewaarde Dirk wat van zijn persoonlijke spulletjes. Jampie kwam daar nooit aan en heeft het nog altijd niet aangeraakt.

Met zijn linkerhand schuift hij twee jassen die in het midden van de kast hangen naar links om goed te kunnen zien wat er onderin de kast ligt. Een oude rechthoekige metalen koektrommel met een voor hem heel bekend delfts blauw motief, trekt zijn aandacht. Hij pakt de koetrommel op en zet het naast zich neer. Onder de koektrommel ligt iets wat hem ook heel bekend voorkomt. Het is het tekenblok van Dirk. Op de omslag van het tekenblok staat een afbeelding van een man die op een rode fiets door een landschap fietst, met bomen en een kronkelige rivier op de achtergrond. Op de bagagedrager heeft de fietsende man een open kistje waaruit wat penselen steken. In zijn linkerhand draagt de man een grote ingeklapte schildersezel. Op zondagen zat Dirk met het tekenblok en de koektrommel vaak beneden aan de eettafel. Dan zat hij na kerktijd gezichten uit de Muziek Express na te tekenen terwijl zijn zussen plaatjes op de platenspeler aan het draaien waren en mee zaten te zingen. Jampie zat zelf dan vaak tegenover Dirk een Donald Duck te lezen en neuriede zachtjes mee op de muziek die uit de voorkamer klonk.

Jampie pakt het tekenblok uit de kast en schuift de jassen weer terug op zijn plek. Hij pakt het kistje op van de vloer en loopt met het tekenblok naar zijn bed. Daar legt hij de tekenspullen aan het hoofdeind neer, knoopt hij zijn broek dicht en gaat op zijn buik op bed liggen. Hij opent voorzichtig de Delfts-blauwe koektrommel. In de koektrommel liggen tientallen potloden in allerlei kleuren, rubberen gummetjes en een puntenslijper. Hij tikt met zijn vingers één voor één de potloden aan en rolt ze een stukje opzij. Hierna doet hij het deksel weer terug op de trommel, pakt het op en zet het naast zich op bed. Hij trekt het tekenblok naar zich toe en slaat het open. Met zijn wijs-en middelvinger veegt hij zachtjes over het witte papier dat glad aanvoelt. Dirk heeft vaak tegen Jampie gezegd dat hij nooit aan dit tekenblok mag komen omdat het heel duur papier is. Pas als Jampie zelf groot genoeg is dan zou Dirk hem af en toe een stuk papier uit het tekenblok geven maar tot die tijd mocht Jampie alleen een oud schoolschrift gebruiken als hij wilde tekenen. Maar Jampie keek liever hoe Dirk aan het tekenen was.

Jampie bladert door het tekenblok waar hij sommige tekeningen herkent. Hij weet nog hoe aandachtig Dirk altijd met zijn tekenwerk bezig was. Jampie bladert verder maar ziet tot zijn verbazing dat alleen de eerste paar bladzijden door Dirk gebruikt zijn. Van het dikke tekenblok zijn de meeste bladzijden mooi fris wit en vrij van tekeningen.

Beneden hoort Jampie de stemmen van zijn zussen. Die zijn zojuist uit school thuis gekomen. Zijn zussen maken altijd een kabaal wanneer ze thuis komen en meestal zitten ze op dat moment midden in één of ander roddelverhaal over een klasgenootje of iemand uit de buurt. Jampie doet het tekenblok dicht. Hij legt het op de stoel naast zijn bed, zet de koektrommel er bovenop en loopt langs het bed van Dirk naar het kleine raam in het schuine dak. Onder het raam ligt een dikke balk over de gehele lengte van de slaapkamer, net zo één als hij er heeft boven zijn bed. Op de balk staat een oude beker. Jampie pakt de oude beker op en stopt zijn vinger er in. Vanmorgen heeft hij er water in gedaan. Hij voelt dat er een dun laagje ijs op ligt en zet de beker weer terug.
Jampie besluit naar beneden te gaan waar het warm is en daar de Donald Duck te gaan lezen tot zijn vader thuis komt en het tijd zal zijn om te gaan eten.

Jampie loopt de huiskamer in waar zijn zussen op hun knieën naast elkaar voor de kachel zitten.

“Sukkel” zegt Marja. “Vindt je het gek dat ze je boer noemen.”
Zijn moeder die in de keuken het eten aan het voorbereiden is komt de huiskamer in. “Wat is er?” vraagt ze.
“Hij had z’n huiswerrek weer es niet gemaakt” flapt Tineke er snel uit. Hierbij kijkt ze naar Jampie die net op de bank kruipt en uit de krantenbak die naast de bank staat een oude Donald Duck graait.
“Ja, en kon z’n woorties niet” zegt Marja.
Jampie’s hart begint plotseling sneller te bonken en kijkt verschrikt zijn moeder aan.
“Is dat waar?” vraagt ze streng aan Jampie.
“Was ’t gewoon vergeten” zegt Jampie zachtjes. Hij ziet vanuit zijn ooghoeken dat z’n zussen zitten te gniffelen.
“Motte wij zeker weer bij de meester komme?” vraagt zijn moeder met een schelle stem.
Jampie haalt zijn schouders op. “Heb een brieffie.”
“Had je dat niet meteen kenne geve toen je thuiskwam? Nou, geef maar hier dat brieffie dan geef ik ’t wel aan je vader, zallie wat beleve.”
Jampie wurmt zijn rechterhand in zijn broekzak, trekt er de verfomfaaide envelop uit en geeft het aan zijn moeder die terug de keuken in loopt.
“Maggie zelluf ook wel eerlijk worde” mompelt Jampie binnensmonds.
Zijn zussen zitten dicht tegen elkaar aan stilletjes te gniffelen.
“Klikspane.” mompelt Jampie en opent zijn Donald Duck.
“Kom” zegt Marja tegen haar zus. “De top tien is net begonnen”
Zijn zussen staan op en lopen de kamer uit, naar boven. Jampie kijkt hen na, zodra ze de kamerdeur achter zich sluiten steekt hij zijn tong uit naar ze uit.

De voordeur gaat met een harde klap dicht. Jampie zag zijn vader al uit de auto stappen. Zijn vader wordt elke ochtend al heel vroeg door zijn collega’s opgehaald en dan rijden ze met zijn allen naar de bouwplaats waar zijn vader timmerman is. ’s Middags wordt zijn vader weer thuis voor de deur afgezet. Jampie’s hart begint sneller te kloppen. Hij hoort zijn moeder in de keuken tegen zijn vader praten maar door de gesloten kamerdeur kan hij niet horen wat zij zegt al heeft hij een donkerbruin vermoeden waar het over gaat. Dan gaat de kamerdeur open en komt zijn vader binnen. Hij komt naar de bank en gaat naast Jampie zitten. Jampie kijkt op van zijn Donald Duck en kijkt zijn vader aan.

 

“Meester Fransen schrijft dat je beter je best mot doen op school en je huiswerrek moet maken. Hij schrijft ook dat je op deze manier anders blijf zitte.”
Jampie knikt.
“Ik zal beter m’n best doen” belooft Jampie zijn vader. “Was ’t vergete en vind woorties moeilijk”
Zijn vader aait Jampie over zijn blonde krullen. “Ik was hetzelfde op school.”
Zijn vader legt het briefje van de meester op de koffietafel, pakt een pen en zet er een krabbel op.
“Hier. Geef maar aan de meester morrege”
Jampie pakt het ondertekende briefje aan en frommelt het terug in zijn broekzak.
“We gaan zo ete, daarna kijken we samen wel effe naar je huiswerrek.
“Heb nou geen huiswerrek” zegt Jampie.
Zijn vader aait nog een keer over de blonde krullen en staat op. “Pak maar een flessie bier voor je vader dan, ben daar wel an toe.”
Jampie staat op van de bank, loopt naar de kelder onder de trap, gaat het houten trapje af, pakt een flesje bier uit de krat op de vloer en maakt het flesje open in de keuken. Zijn moeder staat in de pannen op het fornuis te roeren, zij zegt niets. Jampie kijkt naar de koffiekan. Het glas waarvan hij dacht dat het een glas met appelsap was, is weg.

“Hierzo” zegt Jampie en reikt zijn vader het geopende flesje bier aan. Zijn vader laat de krant voor zijn gezicht iets zakken en neemt het flesje aan.
“Mijn tekening kom op ’t kerstboekie van de school, voor kersemus” zegt Jampie.
Zijn vader laat de krant nu helemaal zakken tot op zijn knieën.
“Tekening? welke tekening?” vraagt zijn vader
“Alle kinderen moste tekenen en de mijne vonde ze het mooist” antwoordt Jampie.
Zijn vader kijkt stomverbaasd. “Dat is effe mooi zeg. Wat hebbie getekend dan”
“Een kaars met kersttakkies d’r om”
Zijn vader kijkt hem aan met een brede glimlach op zijn gezicht “Wis nie dat jij ook zo goed kon tekene, knul!”
“Wissik zelluf ook nie” zegt Jampie.
“Weet je moeder ’t al?”
Jampie schudt zijn hoofd.
“Mop?” roept vader naar de keuken.
“Jaaa?” roept zijn moeder terug. Haar hoofd verschijnt om t hoekje van de kamerdeur. “Tisser?”
“We hebben een artiest in de familie. Zijn tekening komt op het kerstboekie”
Zijn moeder kijkt verbaasd. “Oh? echt waar?”
Jampie knikt hevig. Zijn gezicht straalt.
“Nou, dat is dan weer effe goed nieuws.” zegt zijn moeder op rustige toon. Haar blik verplaatst ze naar buiten en is even stil, ze kijkt dromerig voor zich uit. “Dirrek kon zo mooi tekene.”
Hierna  draait zij zich om en loopt terug de keuken in.

DE STER VAN HET KERSTFEEST

In de weken die volgen staat Jampie op met de tekening voor het kerst programma in zijn hoofd en is het ’s avonds voordat hij gaat slapen het laatste waar hij aan denkt. Hij checkt elke morgen de beker met water op de balk onder het zolderraam en bijna elke morgen is het water veranderd in een blok ijs. Hij laat tijdens het douchen het ijs loskomen van de beker en doet er nieuw water in waarna hij de beker weer terug zet. Op school willen de kinderen graag zijn vriendje zijn en gaat hij met Sylvia, zijn beste vriendin die vlakbij woont na schooltijd af en toe huiswerk maken.

Sylvia zit bij Jampie in de klas en is goed in woordjes. Jampie en Sylvia spelen al met elkaar sinds ze zich kunnen herinneren. Op zondag mag Jampie soms bij Sylvia thuis spelen. Soms, niet te vaak want de vader van Sylvia zit op zondag altijd de hele dag naar kerkmuziek te luisteren en dan moet het verder stil zijn in huis. Sylvia vindt haar strenge vader zelf wel een beetje té streng. Sylvia zegt dat haar vader zo streng is omdat dat moet van de kerk. Haar vader zingt in het kerkkoor en loopt in de orgelpauze tijdens de zondagdienst altijd met een zwart fluwelen collectezakje langs de rijen mensen. Jampie krijgt van zijn moeder meestal een kwartje die hij dan in het fluwelen collectezakje moet doen. Daarna krijgt hij een pepermuntje.

Jampies moeder gelooft eigenlijk niet in God, Jampies vader wel. Wanneer Jampie bij Sylvia aan het spelen is vraagt haar vader wel eens hoe het bij Jampie thuis gaat. “Goed” zegt Jampie dan. Sylvia’s vader weet dat de moeder van Jampie het heel moeilijk heeft met het verlies van Dirk. Hij was vlak na het ongeluk iedere dag bij Jampie thuis om met zijn ouders te bidden. Zijn moeder zat dan de hele tijd te huilen en vroeg Sylvia’s vader waarom God zo stom kan zijn om Dirk te laten verongelukken. “God’s wil zullen wij mensen nooit begrijpen” antwoordde hij. Sylvia’s vader was bij de begrafenis één van de kist-dragers.

“Het is de duivel die je moeder verleidt” zei Sylvia’s vader vorige week toen hij bij Sylvia ging spelen. “Daarom moet ze naar de kerk blijven komen en bidden en vragen om God’s vergiffenis en kracht”. Jampie knikte. Hij moest denken aan de ‘appelsap’ die zijn moeder stiekem drinkt als er niemand thuis is.

Ondanks de hulp van Sylvia met woordjes snapt Jampie nog maar weinig van taal.
“Misschien ben ik gewoon te dom” zei hij tegen Sylvia toen ze met bijvoeglijke naamwoorden bezig waren. “Waarom zitte ze steeds een woord te verandere?” vroeg hij haar. “Je ken toch gewoon zegge wat je bedoel.” Sylvia moest lachen en zei dat hij helemaal niet dom is. “Als je dom zou zijn dan zou je niet zo’n mooie tekening kunnen maken”.
Jampie knikte en vond dat wel logisch want hij kan ook goed rekenen. En als er dictee is dan schrijft hij vaak de woorden wel goed. Iets waar de meester niets van begrijpt.

Sylvia’s vader vroeg aan Jampie wat hij heeft getekend voor het kerst programma. Jampie vertelde vol trots over de mooie kaars en de dennetakken. “De kaars symboliseert het licht van God” zei Sylvia’s vader. “Dat is mooi.” Jampie knikte maar hij had nooit aan het licht van God gedacht. Hij vindt het gewoon mooi om een kaars te zien branden. Thuis zit hij wel eens op zijn knieën bij de koffietafel naar een brandende kaars te kijken en volgt dan het vet dat langs de kaars druipt. Als er geen vet langs druipt maakt hij met een lucifer een deukje boven aan de kaars waardoor het vet wel gaat druipen. Zo kan hij urenlang naar de brandende kaars en het druipende kaarsvet blijven kijken.

Jampie’s zussen zitten elke dag na schooltijd op hun kamer naar muziek te luisteren. Soms maken ze grapjes over hem tijdens het eten zoals de zwarte glimmende broek die van Dirk is geweest en die zijn moeder ingenomen heeft zodat hij hem past. De broek heeft van onderen breed uitlopende pijpen, hierdoor zijn de kleine voeten van Jampie niet te zien. “Klompvoet” noemen ze hem.

Gisteren lag zijn moeder op de bank te slapen. Jampie was meteen uit school naar huis gekomen want hij wilde na zijn middag-boterhammetjes met de slee de stapel oude kranten in de schuur naar Lok brengen. Hij dacht dat zijn moeder niet lekker geworden was en daarom even was gaan liggen. Hij liet haar slapen en ging alvast de tafel dekken zodat ze kon aanschuiven zodra ze wakker zou worden. Hij zette thee, schonk voor zichzelf een kopje in en begon zijn eerste boterhammetje te smeren. Ineens hoorde hij een luide snurk. Daarna nog één en nog één. Hij heeft zijn moeder nooit eerder horen snurken. Vanaf zijn stoel aan de eettafel keek hij naar zijn moeder die op haar rug op de bank lag. Hij stond op van tafel, liep naar haar toe en wilde in haar neus knijpen zodat ze zou stoppen met snurken. Op het moment dat hij zijn duim en wijsvinger op de neus van zijn moeder had en net wilde gaan knijpen stootte zijn rechtervoet iets om wat tegen de krantenbak naast de bank aanviel. Hij schrok en trok snel zijn hand van zijn moeders neus terug. Hij bukte en zag een plas vocht over de vloer vloeien. De plas werd snel groter en ging onder de bank en naar het vloerkleed onder de koffietafel. Snel liep hij naar de keuken om een dweil en een emmer te pakken en rende terug naar de kamer. Haastig wreef hij met de dweil over de plas totdat de vloer alleen nog maar een beetje vochtig was. Zijn neus had hij de hele tijd geforceerd omhoog en zijn ogen half dicht want het stonk verschrikkelijk. Naast de bank, tegen de krantenbank lag een fles. De boosdoener van het vochtige kwaad. Hij tilde de fles op en zag op het etiket het woord whiskey staan. Hij plaatste de lege whiskyfles met de natte dweil in de emmer en liep naar de keuken. Daar deed hij zijn schoenen aan, nam de lege fles en liep naar de schuur. Achterin de schuur pakte hij een paar kranten en rolde daar de lege fles in. Hij zou de fles dan later in een doos met oude kranten verstoppen en meenemen naar Lok. Dan is de fles ieder geval uit huis weg zo was zijn gedachte.

Terug in huis maakte Jampie een sopje en maakte de boel onder en naast de bank goed schoon.
Zijn moeder heeft hij al die tijd laten door snurken en is hij verder gegaan met het eten van zijn boterhammetjes en het drinken van zijn thee. Telkens als zijn moeder even stopte met snurken keek hij op, hij hoopte dat ze wakker zou worden maar dan ging ze even later gewoon weer verder met snurken. Na het eten heeft Jampie de tafel afgeruimd, de afwas gedaan en is voor de kachel op de vloer gaan zitten met een Donald Duck op zijn knieën tot zijn moeder wakker werd. Ze schrok en keek meteen naar de vloer waar zij de fles had neergezet.
“Heb ik geslapen?” vroeg ze aan Jampie. Hij knikte. Ze kwam overeind en ging zitten. Wreef met beide handen over haar gezicht en bewoog haar lichaam vervolgens over de leuning van de bank waar de krantenbak staat.
“Heb ik opgeruimd” zei Jampie. Zijn moeder draaide zich om en keek hem geschrokken aan. “De fles is gevalle maar heb de rommel opgedweild”. Ze sloeg haar hand voor haar mond en zei: “Oh Christus”. Jampie zei dat ze niet moest vloeken. Ze sloeg beide handen voor haar gezicht, boog voorover met haar ellebogen op haar knieën en begon luid te huilen. Jampie stond op en ging voor haar staan. Hij plaatste zijn handen op haar bovenarmen en zei dat het niet erg is. Dat hij de fles al weggedaan heeft zodat niemand de fles nog kan vinden en dat hij niets zou zeggen. Zijn moeder bleef een tijd voorovergebogen zitten huilen, Jampie bleef haar bovenarmen zachtjes strelen.
Nadat zijn moeder enigszins tot bedaren was gekomen is Jampie de oude kranten in de schuur gaan wegbrengen en heeft hij daarna aan Dirk vertelt wat er die middag gebeurd is. Jampie heeft voor de zekerheid nog goed zijn oren gespitst of hij misschien een stem zou horen. Het bleef muisstil op het kerkhof.

Een ijzige wind stroomt over de keukenvloer langs de voeten van Jampies’ moeder.
“Meid, kom gauw binne” zegt ze tegen Sylvia die dik ingepakt van huis vertrokken is. “Jampie is nog bove, ik zal ‘m wel effe roepen. Kom jij maar lekker binnen in de kamer, de kachel staat hoog.
Sylvia klopt met haar schoenen tegen de drempel van de keukendeur zodat de ergste sneeuw en ijs van haar schoenen valt, buiten de keuken. Ze haalt de veters los, trekt haar schoenen uit en tippelt op haar tenen met haar schoenen in haar hand de kamer in.
“Jampie!” krijst zijn moeder onder aan de trap “Sylvia ister.”
“Ik kohoom” roept Jampie terug.
Jampie is net klaar met zich aan te kleden en trekt de donkerblauwe wollen jas van Dirk over zijn blauwe wollen trui aan. De jas is nog te groot maar omdat het zo koud is denkt hij dat een grote jas juist beter is. Hij wil ook graag een nette jas aan naar het kerstfeest en zijn eigen winterjas is niet zo netjes meer. Op de overloop gaat de slaapkamerdeur van zijn zussen open.
“Wattebbie aan?” Het hoofd van Marja verschijnt in de smalle deuropening.
Jampie kijkt zijn zus aan. “Gewoon, klere” antwoordt hij kortaf.
“Mam!” gilt Marja “Hij heb de jas van Dirrek an!”
“Kreng” zegt Jampie en steekt zijn tong uit. Onderaan de trap staat zijn moeder Jampie op te wachten.
“Doe die jas es ope!” zegt zijn moeder. Op de derde tree van onderen blijft Jampie staan en maakt de houten knopen van de wollen jas los.
Jampie’s moeder bekijkt grondig van top tot teen hoe Jampie gekleed is. Ze trekt zijn trui een stukje omhoog waar een wit overhemd onder verscholen zit en laat het dan weer zakken.
“Chrisselijk zat” zegt zijn moeder. “Vort maar” en wenkt dat hij door kan lopen naar de kamer waar Sylvia met haar jas aan op de bank zit te wachten.
“Dat is een mooie jas” zegt Sylvia “Die heb ik niet eerder gezien.”
“Is van m’n broer geweest. Nog een tikkie te groot”
“Nou, hij staat je goed en zal best warm zijn.”
“Zijn jullie ook klaar?” roept zijn moeder naar boven.
“Jahaa” klinken twee stemmen tegelijk uit de slaapkamer.
“Goed” zegt zijn moeder. “Gaan jullie maar vast, hè. Je vader en ik kome strakkies, je vader is wat later thuis van werk vandaag. Zal wel door de kou en sneeuw komen”

De wind is die dag sterk aangetrokken en waait uit het oosten. De temperatuur is daardoor een stuk gedaald. Jampie voelde de kou gisteren al aankomen. De koude wind waaide tussen de kieren van de dakpannen over zijn bed. Hij is halverwege de nacht opgestaan om een wollen deken van het bed van Dirk te halen en dat bij hem over de andere dekens te leggen. Hierdoor bleef hij ieder geval lekker warm en kon hij slapen.

Het kerstfeest van school wordt ieder jaar in de hervormde kerk gevierd en alle ouders met broers en zussen mogen dan ook komen. Dit is het eerste jaar dat Dirk er niet bij zal zijn. Jampie merkte aan zijn moeder dat ze het daardoor deze dagen extra moeilijk heeft. Hij was bang dat hij haar weer slapend op de bank zou vinden. Hij bleef daardoor zoveel mogelijk in huis, dicht bij haar in de buurt zodat ze niet stiekem whiskey zou gaan drinken. Een paar keer heeft hij haar een beetje horen snotteren, meestal tijdens het koken. Dan liep hij vanuit de kamer naar de keuken en deed net of hij iets wilde drinken of iets uit de keuken nodig had. Het eerste wat hij dan deed was kijken of er geen glas ‘appelsap’ bij de koffiekan stond. Die heeft hij geen enkele keer zien staan.

Het Kerkepad is spekglad geworden. Vanmiddag hebben Jampie en Sylvia er samen nog gespeeld. Met de slee roetsten ze over de aangeplette sneeuw razendsnel naar beneden tot aan de weg. Veel andere kinderen uit de buurt waren met hun slee op het terrein naast het Kerkepad aan het sleeën. De gemeentedienst kwam tussendoor het Kerkepad met zand bestrooien maar zodra de mannen van de gemeentedienst weg waren gingen Jampie en Sylvia met een paar andere kinderen nieuwe sneeuw halen om dat over het gestrooide zand te gooien zodat ze weer lekker naar beneden konden sleeën. Nu houden Sylvia en Jampie elkaars hand goed vast en lopen zij heel voorzichtig langs de kant van het Kerkepad omhoog. Links van het Kerkepad zijn een paar kinderen nog aan het sleeën.

“Die viere geen kersemus denk” zegt Jampie vanachter zijn dikke sjaal.
“Misschien doen ze dat een andere keer” zegt Sylvia
De imposante eeuwenoude kerk staat rechts van het Kerkepad, net over de brug over de ringvaart. Vanaf het bruggetje zien Jampie en Sylvia mensen over het smalle paadje naar de hoge ingang van de kerk lopen.
“Gelukkig hebbe ze verwarming in de kerrek” mompelt Jampie. “Die is er pas kort zei m’n vader. Vroeger, zei die, vroor je reet er af.”

“Hopelijk kunnen we in de hoge banken zitten” zegt Sylvia “ Waar ’s zondags de ouwe mensen altijd zitten. Die zijn er nu toch niet.”
“Oh ja” zegt Jampie. Zijn stem slaat over en klinkt een stuk hoger dan anders. Nu hij de lichtjes door de ramen van de kerk kan zien en de mensen naar de kerk zien lopen wordt hij een beetje nerveus. Hij is reuze benieuwd hoe het kerstprogramma met zijn tekening er uit ziet. Hij voelt zijn hart sneller kloppen.

Bij de ingang van de kerk zien Jampie en Sylvia de meesters en juffrouwen van school. De meesters hebben een zwart pak aan met een zwart strikje om. De juffrouwen dragen mooie jurken in verschillende kleuren.
“Kinderen van klas 5 naar rechts in de banken voor het kansel” buldert meester Fransen. Klas 4 achterin bij het orgel…”
“Joepie” zegt Sylvia zachtjes. “We mogen in de banken. Kom, snel, gaan we voorin.”
Al lopende doen Jampie en Sylvia hun jassen uit. Het is aangenaam warm in de kerk. De banken zijn nog leeg. Bij het opendoen van het houten deurtje van de voorste houten bank worden ze tegengehouden door een juf van de kleuterschool. “Jassen kunnen vooraan opgehangen worden” de juf wijst naar voren waar ze net vandaan kwamen.
“Hier” zegt Sylvia “Hang jij de jassen op, hou ik je plekkie vrij’
“OK”
Jampie pakt de jas van Sylvia aan en rent terug naar de ingang waar kapstokken zijn neergezet en hangt hun twee jassen over elkaar aan de kapstok. Jampie wil terug rennen maar de juf gebaart van een afstand dat hij niet mag rennen, hij stopt abrupt en wandelt rustig naar de voorste bank waar Sylvia zit te wachten.

“Kijk!” zegt Sylvia enthousiast. In haar hand houdt zij het programmaboekje. Jampie klimt naast haar in de bank en sluit het deurtje. Jampie pakt het exemplaar dat voor hem op de plank ligt. Hij kijkt er niet meteen naar. Hij kijkt rechts waar de hele plank vol ligt met programmaboekjes. Voor iedere zitplaats één. Achter hem liggen alle planken vol met dezelfde geel gekleurde boekjes en hij kan de donkere tekening op de gele omslag duidelijk herkennen. Hij kijkt naar links waar op alle stoelen, honderden stoelen met rieten zitting, hetzelfde gele programmaboekje geduldig ligt te wachten totdat het gelezen wordt. Hij ziet sommige mensen het boekje oppakken en er naar kijken.

Jampie pakt het kerstprogramma op van de plank. Met zwarte inkt is zijn tekening op het lichtgele omslag-papier gedrukt. Hij bestudeert zijn tekening aandachtig. Alsof hij wil controleren of alles wel is overgenomen zoals hij dat heeft getekend. Hij ademt diep en blaast dan weer uit. Hij voelt zijn hoofd alsmaar warmer worden. Onderaan de tekening staat zijn naam. De meester heeft hem gevraagd om daar zelf zijn naam in kleine letters neer te zetten.
Getekend door: Jan van Zevenhuizen – Daaronder heeft Jampie geschreven: Jampie
“Gaaf hè” zegt Sylvia. Ze slaat haar linkerarm om zijn schouder. “Je mag best trots zijn”
Jampie haalt zijn schouders op. Het voelt wel een beetje raar in m’n buik”
“Je wordt toch niet ziek?” vraagt Sylvia bezorgd en kijkt hem aan”
“Nee joh” zal van de zenuwe komme”

De kerk loopt langzaam vol. De kinderen uit de klas van Jampie schuiven bij hem en Sylvia aan in de hoge houten banken. Op de hoeken van de hoge banken staan grote kersttukken met daarin roomkleurige kaarsen van wel een meter lang. Jampie heeft nog nooit zulke grote kaarsen gezien. Hij staart minutenlang naar het kerststuk en de kaars die vlak voor hem staat. Het lijkt wel een beetje op zijn tekening denk hij. De kaarsen druipen zoals hij het heeft getekend en ook de dennetakken onderaan liggen mooi uitgespreid om de kaars heen. Op zijn tekening kun je alleen de takken aan de voorkant zien maar in zijn gedachten was dit precies hoe het er uitzag.
“Mooi, hè” zegt Sylvia. “Hebben de juffrouwen en de meester zelf gemaakt.
Jampie knikt. “ Hij beseft meer en meer hoe de enorme kaarsen en de dennetakken sprekend op zijn tekening lijken. Hij moet ook denken aan de fiets die hij tekende in de sneeuw en de mevrouw op de fiets die hij vlak daarna zag. Later pakte hij het tekenblok uit de kast waarop de man met de rode fiets te zien is.

“Je zussen” zegt Sylvia in het oor van Jampie en wijst naar voren. Zij zussen zijn net voorbij gelopen maar hebben Jampie niet gezien. Ze zien er mooi uit in hun nieuwe fluwelen jurkjes, vindt Jampie. 
“Je vader en moeder zie ik niet” fluister Sylvia.
Jampie kijkt om zich heen. Hij ziet zijn ouders ook niet. Zijn zussen lopen naar achteren waar hun vriendinnen zitten en beginnen meteen te kletsen.
“Komen strakkies dan wel” fluistert Jampie. Hij kijkt vanaf zijn hoge zitplek in de houten bank de kerk door en ziet de grote kerstukken met daarin de enorme kaarsen die allemaal mooie druppels met vet vertonen en de opstaande kaarsvet-rand met kleine openingen waarachter je de vlam ziet flikkeren. Hij beseft dat exact dit beeld in zijn hoofd was toen hij begon met het tekenen van zijn kaars.

Het kerkorgel begint met spelen. Zachtjes. De grote klok bovenin de toren slaat zeven krachtige, voor Jampie heel bekende, klanken. Mensen die nog staan zoeken hun plek op en gaan zitten. De kinderen van de lagere klassen praten nerveus met elkaar en de juffen proberen de kinderen met sussen tot stilte te brengen. Jampie kijkt achterom. De deuren van de kerk gaan dicht. Zijn ouders heeft hij nog niet gezien. De lichten gaan uit. De kerk is nu alleen nog verlicht door de honderden kaarsen in de vele kandelaars die her en der door de kerk verspreid en in de ramen staan. De lange kaarsen in de kerststukken vallen op en trekken bij iedereen de aandacht. Nog nooit heeft Jampie zoiets moois gezien. In zijn kerk.

Meester Fransen loopt langs Jampie tot aan de kansel. In de kerk hoor je alleen nog het schuifelen van stoelen en een enkel hoestje. Achterin sust een juf tegen wat kinderen die zitten te giechelen.
“Goedenavond kinderen, ouders, zussen, broers en ook sommige opa’s en oma’s.”buldert de  zware rots-stem van meester Fransen via een microfoon door de kerk. Jampie vindt dat hij helemaal geen microfoon nodig heeft. Zijn stem is luid en duidelijk genoeg van zichzelf.
Dan hoort Jampie het geluid van een roestige deurklink. Het is de deur van de ingang van de kerk waarvan de scharnieren een beetje piepen. Het zijn zijn ouders. Zij worden door een schoolmeester opgevangen die hen wijst naar een paar stoelen achterin de kerk. Hij ziet hoe zijn vader en moeder stilletjes achter de mensen langs lopen en naast de banken achterin de kerk op een rieten stoel gaan zitten. Hij voelt een warme gloed door zijn lichaam stromen. Hij is blij dat zijn ouders gekomen zijn.

Meester Fransen verwelkomt de mensen en vraagt de mensen om eens goed naar het programmaboekje te kijken. “Nee”, zegt hij luid. “Het is geen foto, de omslag voor het kerstfeest dit jaar is getekend door een leerling uit mijn klas: Jan van Zevenhuizen” de meester wijst naar Jampie. “Ga maar even staan, Jan” zegt de meester. Jampie’s hart bonkt in zijn keel. De zenuwen gieren door zijn lijf. Hij komt langzaam omhoog. Zijn mondhoeken bibberen. Zijn knieën ook. Hij grijnst van oor tot oor. Alle mensen in de kerk kijken hem aan. Hij ziet hoe mensen naar hem wijzen en dan naar het programmaboekje. Sylvia tikt met haar linkervoet tegen zijn rechtervoet.
“Fantastisch, Jan” zegt de meester door de microfoon. “Er schuilt een groot tekentalent in jou.”
Jampie gaat weer zitten. De meester gaat verder met zijn tekst maar Jampie hoort verder niet wat de meester zegt. De adrenaline in zijn lijf heeft hem als het ware van de aarde getild en voor even in de hemel gebracht. De kinderen achter hem in de banken tikken hem op zijn schouders. “Goed hoor” zeggen ze. Jampie kijkt naar links, naar zijn ouders. Hij ziet de duim van zijn vader. Dat betekent ‘Toppie’. Dat doet zijn vader altijd als hij iets goed vindt. Zijn moeder knipoogt en lacht vriendelijk naar hem. Zo kent hij zijn moeder weer. Dat deed ze ook altijd toen hij nog klein was.

Het kerstfeest in de kerk is altijd een hoogtepunt in het dorp. Ook dit jaar heeft meester Fransen een heel mooi kerstverhaal verteld. Dat kan hij goed. De mensen in de kerk zijn dan doodstil. Iedereen luister aandachtig. Dat komt omdat hij zo mooi kan vertellen met verschillende toonhoogtes. Dit jaar ging het verhaal over een meisje in Rusland, in de sneeuw. Verder weet Jampie het niet meer omdat tijdens het vertellen zijn gedachten vanzelf afdwaalde naar Dirk, en zijn tekening, en de kaarsen in de kerk. Hij heeft tijdens de kerkdienst besloten dat hij het tekenblok van Dirk gaat gebruiken om te tekenen. De meester zei immers dat hij een groot talent is.

Na afloop van het kerstfeest komen als eerste zijn zussen bij Jampie.
“Mooi hoor, Jampie” zegt Tineke “Je kan misschien wel net zo goed leren tekenen als Dirrek!”
Jampie knikt zenuwachtig. Zijn zussen zeggen anders nooit iets aardigs zegen hem. Zij vader en moeder komen ook aanlopen.
“Wat heb jij een mooie tekening gemaakt zeg” zegt zijn moeder. “Wis nie dat je ook zo mooi kon tekene!”
Jampie haalt zijn schouders op. “Wissik ook nie”.
Zijn vader knikt naar hem en geeft hem een knipoog.
“Kom” zegt zijn vader. “Je moeder heeft een appeltaart gebakke, gaan we die lekker bij de kerseboom met z’n alle opete. Sylvia mag ook mee. Heb net je vader gesproken. Hij haalt je strakkies onderweg naar huis bij ons op.”
“Dag pap, tot straks” roept Sylvia naar haar vader die onder de preekstoel met een meester staat te praten. Haar vader zwaait en knikt.

Hand in hand lopen Jampie en Sylvia voor de rest van de familie de kerk uit, over het gladde kerkepad door de ijzige kou naar huis.

Die winter blijft het nog lang koud. Jampie gaat vaak schaatsen op de rivier De Rotte met Sylvia en samen hebben zij naast de ijsbaan een paar sneeuwpoppen gemaakt. Van zijn gespaarde geld in de geheime portemonnaie koopt Jampie voor Sylvia en zichzelf erwtensoep en warme chocolademelk bij de houten koek-en-zopie tent op het ijs. Ze hebben ook een keer soep gekocht bij de molen verderop maar dat vonden ze eigenlijk toch een beetje te ver schaatsen in de zure kou.

Vandaag gaan ze weer schaatsen. Hij zou nu eigenlijk oude kranten naar Lok moeten brengen maar omdat er vandaag wedstrijdjes op het ijs worden georganiseerd stelt hij dat wel een keertje uit. Hij heeft een oude leren tas bij zich waar zijn schaatsen inzitten. Hij heeft ook het kladblok en de koektrommel in de leren tas gestopt. Zeker weten doet Jampie het niet maar het was net of iets hem zei dat hij het tekenblok mee moest nemen.

“Doe je de schaatsen niet aan? .”vraagt Sylvia. Jampie en Sylvia zitten naast de koek-en-zopie tent en zien hoe paartjes aan het zwieren zijn. De zon schijnt aan een strak blauwe lucht en maakt de vele sneeuw op het ijs en om hen heen nog feller dan het al van zichzelf is. Een paar mannen zijn met grote bezems bezig de baan voor de wedstrijden schoon te maken. Jampie heeft net zijn schaatsen uit de tas gehaald en naast zich in de sneeuw gelegd.

“Kweenie” antwoordt Jampie. “Denk dat ik nog effe wacht. Ga jij maar vast. De andere kinderen uit de buurt zijn ook al op het ijs.
Sylvia knoopt de veters van de schaatsen strak om haar schoenen. Dan laat ik m’n tas wel effe bij jou staan”
“Ja is goed” zegt Jampie.

Sylvia klautert onhandig van de bevroren en besneeuwde oever het ijs op en roetst dan behendig over het ijs naar het midden waar andere kinderen druk met elkaar aan het schaatsen zijn.
Jampie staart voor zich uit. Kijkt naar rechts waar zijn schaatsen in de sneeuw liggen en kijkt dan naar links in zijn lederen tas die open staat. Hij pakt het tekenblok uit de lederen tas en legt het op zijn knieën. Hij doet zijn wollen wanten uit en trekt de Ard Schenk-muts van zijn hoofd. De zon voelt warm aan in zijn nek. Er is bijna geen wind. Zonder na te denken opent Jampie de Delfts-blauwe koektrommel en pakt er een blauw potlood uit. Zijn hand begint boven aan het witte vel blauwe vegen te maken. Het is de eerste keer dat Jampie het tekenblok gebruikt. Hij heeft een paar keer op het punt gestaan het te gaan gebruiken maar hij voelde dan dat het nog niet het juiste moment was om er in te gaan tekenen. Vandaag voelt dat wel goed. Zijn rechterhand wisselt regelmatig van potlood. Hij gebruikt alle kleuren die in de koektrommel aanwezig zijn. Hij kijkt vaak op en dan weer meteen naar het tekenblok. Zo zit Jampie geduldig en in stilte te tekenen. Af en toe komt Sylvia langs om te vragen of hij al komt schaatsen maar dan zegt Jampie dat hij nu liever even blijft tekenen. Hij heeft Sylvia twee kwartjes gegeven zodat ze zelf chocolademelk kan gaan kopen.

Een schaduw neemt plots de zonneschijn van zijn tekenblok weg. Jampie kijkt op van zijn tekenblok en draait zijn hoofd naar links achter hem waar de schaduw vandaan komt.
“Zo, zo” klinkt een mannenstem. Jampie kan het gezicht van de man niet zien door de felle zonnestralen die om zijn hoofd schijnen. De man zakt door zijn knieën.
“Anton Pieck” zegt de man.
“Wie?” vraagt Jampie.
“Ken je die niet?” vraagt de man. Anton Pieck is een beroemde tekenaar. Hij heeft de Efteling ontworpen.
Jampie schudt zijn hoofd, zijn ogen wat toegeknepen.
“Efteling heb ik wel es van gehoord maar verders nie.”
“Jij tekent een beetje zoals hij” zegt de man “Mooi hoor. Hoe heet je?
“Jampie”
“Jampie?” vraagt de man verbaasd “Dat is een aparte naam.
“Eigenlijk heet ik Jan maar vanaf m’n geboorte zegge ze al Jampie, en ben daar aan gewend.”
“Ik ben Bruijs, meneer Bruijs. Leraar op het Grafisch Lyceum Rotterdam” de man wijst naar links, naar Rotterdam dat verderop aan de Rotte ligt.
“Wat is dat?” vraagt Jampie.
“Het Grafisch Lyceum is een school waar kinderen heen gaan die graag tekenen.
“Oh” zegt Jampie
“Woon jij hier in Zevenhuizen?”
Jampie knikt.
“Ik ook” zegt meneer Bruijs. Bij Oud Verlaat.
“Dat is daar” zegt Jampie en wijst richting de molen verderop
“Ja, klopt”.
“Naar welke school ga jij?”
“Gewoon, op durrep” antwoordt Jampie
Meneer Bruijs knikt. “In welke klas?”
“Zesde”
“Dat is meester Fransen, is het niet?”
“Ja, dat is mijn meester”
“Goed” zegt meneer Bruijs
“Nou, ga jij maar fijn verder tekenen. Het is heel mooi aan het worden.”
De man gaat weer staan, draait zich om en wandelt weg. “Dag Jampie”

Jampie kijkt de man na. Hij begrijpt niet wat de man nu van hem wilde.

“Hé!. Joehoe!” Jampie draait zijn hoofd snel om
“Kom je nou nog?” De wedstrijden zijn allang begonnen. zegt Sylvia.
Jampie schudt zijn hoofd. “Ik blijf liever hier. Als je klaar bent gaan we naar huis”
“Ok” zegt Sylvia en schaatst terug naar de andere kinderen.
Jampie wisselt het potlood in zijn hand voor een andere kleur uit de koektrommel en gaat verder met zijn tekening. Zo blijft hij in alle rust tekenen totdat hij vindt dat het goed genoeg is.

Jampie bestudeert het resultaat van zijn tekening. Mensen zijn aan het schaatsen en er is veel ijs en sneeuw. Op sommige plekken heeft hij mensen getekend die soep aan het eten zijn en kinderen die een sneeuwpop aan het maken zijn. Het is een vredig en mooi tafereel.
“Laat es zien!” vraagt Sylvia terwijl ze hijgend van het ijs af komt.
Jampie draait zijn tekenblok om zodat Sylvia zijn kunstwerk kan zien.
“Wauw, heb je dat allemaal vandaag getekend?”
Jampie knikt.
“Sta ik er ook op?” vraagt Sylvia.
Jampie draait het tekenblok terug en kijkt aandachtig. “Hierzo” Jampie wijst naar een groepje kinderen in de tekening en draait het tekenblok weer om.
“Oh” zegt Sylvia lachend “Van de achterkant, lekker handig. Nou, je mag me wel een keer in m’n eentje tekenen”
Jampie moet ook lachen. “Ja, in je badpak van de zomer”
Ze moeten hier allebei hard om lachen.

 

Sylvia doet haar schaatsen uit en kijkt ondertussen met Jampie naar de tekening.
“Is dat nou een kale oude man?”
“Waar?” vraagt Jampie.
Sylvia leunt een beetje naar rechts, met haar schouder tegen die van Jampie aan, haar vingertopje beweegt tot vlak bij de tekening waarin zij op het getekende ijs en twee mensen ziet.
“Daar, zie je wel? Twee mensen die zwaaien.”
Jampie buigt voorover tot zijn ogen de tekening bijna raken.
De kale man die Lydia bedoelde ziet hij nu ook. De kale man staat ver op het ijs, naast een andere man, of eigenlijk, een jongen. De jongen lijkt een stuk jonger dan de kale man.
“Ik heb helemaal geen kale oude man gezien!” zegt Lydia verbaasd.”Misschien heeft hij daarna zijn muts weer opgedaan?” Nou ja, het zal ook wel, er schaatsen en spelen wel honderd kinderen en grote mensen op het ijs en in de sneeuw , dat zie je in jouw tekening ook wel.”
Jampie heeft zijn ogen toegeknepen. De kale man ziet er oud uit maar Jampie twijfelt of de man wel oud is. Hij ziet iets aan de oude man in de tekening maar hij weet niet zo gauw wat.
De jongen die zijn arm om de oude man heeft geslagen komt hem bekend voor. Jampie kijkt van de tekening af en richt zijn blik op het ijs waar kinderen en ouderen dolle pret hebben. Zijn ogen turen het ijs af. Hij hoopt de oude man en de jongen te vinden maar hij vermoedt dat zij al van het ijs af zijn gegaan.
De jongen naast de oude man heeft een grote bos blonde krullen op zijn hoofd, net als Jampie.
“En het lijkt wel of ze naar jou staan te zwaaien, zie je dat?
Jampie knikt. Hij draait zijn hoofd naar Sylvia. “Ben je klaar, dan gaan we naar huis”

Tijdens het avondeten vertelt Jampie over zijn tekening aan de Rotte. Zijn vader wil de tekening graag zien en stuurt Jampie naar boven om de tekening te halen.
Zijn vader en moeder kunnen bijna niet geloven hoe mooi de tekening is geworden en prijzen Jampie voor zijn prachtige creatie. Hij vertelt ook van meneer Bruijs maar is vergeten op welke school meneer Bruijs les geeft. “Iets met een graaf of zo” zegt Jampie.
“Als je maar wel je huiswerrek blijf make” zegt zijn moeder. “Van tekene ken je later niet leve.”
“Je moeder heeft gelijk” zegt zijn vader. “Je kan mooi tekene, Jampie maar als je rapportcijfers slecht zijn dan blijf je zitte zei de meester.”
Jampie brengt het tekenblok naar zijn kamer. Hij weet dat hij heel erg goed zijn best moet doen op school en dat maakt hem een beetje bedroefd. Hij doet al zo erg zijn best maar soms snapt hij gewoon niet wat de meester zegt of hoe hij woordjes moet doen.

Die kerstvakantie blijft het ijzig koud. Jampie gaat iedere dag even naar buiten maar is ook veel in huis, hij wil zo veel mogelijk bij zijn moeder zijn. Na het kerstfeest van school in de kerk, toen ze met zijn allen bij de kerstboom die op de plek van de krantenbak staat, heeft zijn moeder tegen hem gezegd dat ze heel trots op hem is. Ze gaf hem ook een knipoog. Hij voelde dat ze het erg moeilijk had. Het is nu bijna een jaar geleden dat Dirk is overleden is en sindsdien is zijn moeder veranderd. Ze is kattig en snauwt veel meer terwijl ze vroeger het thuis altijd juist heel gezellig kon maken.

Jampie ligt op de vloer in de huiskamer met zijn handen in zijn hoofd voor de kachel met een oude Donald Duck voor zijn neus. Boven, uit de kamer van zijn zussen klinkt muziek. Zijn zussen hebben net de nieuwe Muziek Expres gehaald en zijn de songteksten die er deze maand in staan uit hun hoofd te leren. Zijn moeder heeft net de bedden afgehaald en is de lakens aan het wassen.

Jampie kijkt op uit de Donald Duck. De uitdrukking op zijn gezicht is er één van vele gedachten. Hij krabbelt overeind, loopt de kamer uit en gaat de trap op. Bovenaan de trap kan hij door de openstaande deur van de slaapkamer van zijn ouders zijn moeder de schone was zien opvouwen. Hij kijkt naar de douche. Kijkt dan weer naar hoe zijn moeder gebogen over het bed de onderbroeken aan het sorteren is. Hij loopt de douche in, ziet de wasmand, tilt het deksel er af en graait tussen de handdoeken. Onderin de wasmand voelt hij iets glads en hards. Hij plaatst zijn vingers er om en tilt het tussen de handdoeken vandaan. In zijn hand heeft hij een fles whiskey en ziet dat de fels voor drie-kwart gevuld is. Hij voelt zijn hart sneller kloppen. Dat zijn moeder stiekem drank verstopt vermoedde hij wel maar wat moet hij nu doen? Hij kan de fles niet zomaar weghalen, dat zou zijn moeder merken en dan zal ze kattig worden en willen weten waar de fles gebleven is. Als hij zijn vader vertelt dat zijn moeder drank verstopt dan krijgen z’n ouders ruzie en dat wil hij ook niet. Hij denkt na, de fles houdt hij vast met beide handen. Na enig twijfelen draait hij de dop van de fles af en giet de whisky in de wasbak tot de fles helemaal leeg is. Dat doet hij zo voorzichtig mogelijk zodat zijn moeder hem niet hoort. Hij draait de kraan open en vult de fles met water. De fles verstopt hij weer onder in de wasmand tussen de vuile handdoeken. Op zijn tenen loopt Jampie langs de slaapkamer van zijn ouders naar de trap en gaat naar beneden, hij kruipt terug voor de kachel, met zijn neus in de Donald Duck.

“Dek jij de tafel, Jampie?” vraagt zijn moeder in het naar beneden lopen met de opgevouwen handdoeken en theedoeken in haar handen.
“Ja, is goed” antwoordt Jampie en krabbelt weer overeind. Hij dekt de eettafel voor vier.
“Maak jij ook even thee voor ons dan doe ik in de tussentijd nog even een was boven.” zegt zijn moeder tegen hem.
Jampie maakt de theepot schoon, steekt het theelichtje aan, hij laat water in de groen geëmailleerde ketel stromen en zet de ketel op het vuur. Terwijl het water opwarmt zet Jampie theekopjes op tafel en loopt voorzichtig met de theelicht houder waarin het theelichtje al brand naar de eettafel. Hij kijkt naar buiten waar de lucht flink donker aan het worden is. Het lijkt er sterk op dat er nog meer sneeuw aan komt. Omdat het zo donker wordt besluit hij dat de lichtjes in de kerstboom al aan kan en stopt de stekker van de lichtjes in het stopcontact. Een lach verschijnt op zijn gezicht bij het zien van de tientallen gekleurde lichtjes. “Veel beter” denkt hij.

 

Luid gestamp op de trap haalt de lach direct weer van zijn gezicht af en hij draait van schrik zijn hoofd om naar de kamerdeur. In de deuropening staat zijn moeder. Haar gezicht staat op onweer maar ze zegt niets. Een paar seconden kijken ze elkaar aan. Dan draait zijn moeder zich om, loopt heen en weer in de gang en loopt dan naar de keuken. Na wat gestommel klinkt het dichtslaan van de keukendeur. Hij ziet door het raam van de huiskamer zijn moeder op haar sloffen door de dikke laag sneeuw stappen. Haar jas heeft ze niet dicht geknoopt. Jampie rent de huiskamer uit, de trap op naar de slaapkamer van zijn ouders. Hij loopt naar het raam en kijkt naar buiten. Daar ziet hij zijn moeder over het achterpad lopen. Ze gaat de tuin van de achterburen in, open de keukendeur van het huis van de achterburen en verdwijnt naar binnen.

 

Jampie vraagt zich af waarom zijn moeder naar de achterburen is gegaan. De blik in haar ogen toen ze in de deuropening van de kamer stond sprak boekdelen. Ze was duidelijk verward en geschrokken. Een blik die hij niet eerder bij haar op haar gezicht heeft kunnen waarnemen. Hij loopt naar beneden en schenkt het kokende water uit de ketel in de theepot met theezakje die hij eerder op het aanrecht heeft klaar gezet. Het water in de theepot veranderd meteen in goudgele thee. Hij pakt de volle theepot voorzichtig met beide handen op en brengt de theepot naar de eettafel in de huiskamer. Jampie klimt op zijn stoel, plaatst zijn ellebogen op de tafel en laat zijn hoofd in zijn handen rusten. Zo kijkt hij geduldig naar het gestaag donker wordende water in de theepot tot het wat hem betreft donker genoeg is om de thee in zijn kopje te schenken. Tijdens het inschenken van de thee ziet hij in zijn rechter ooghoek zijn moeder de tuin in lopen. Hij zet snel de theepot terug op het theelichtje. Door deze abrupte beweging klotst er een beetje thee over de rand van de theepot, maar gelukkig niet veel. De keukendeur gaat zachtjes dicht. Doodstil zit Jampie aan tafel en kijkt naar de kamerdeur waar hij ieder moment zijn moeder in verwacht te zien verschijnen. Uit de keuken komen geluiden van schoenen die worden uitgedaan.

“Zo” zegt zijn moeder met een diepe zucht bij het inlopen van de huiskamer en plaatst neemt aan tafel bij Jampie. “Was ik bijna vergete dat ik voor Truus de was zou ophange. Die is de hele dag in de stad voor kerstinkopen.”
Ze glimlacht naar Jampie en reikt naar de theepot. “En nu lekker een kop hete thee, jong.”
Jampie glimlacht terug. Hij is blij dat zijn moeder niet boos is en neemt een slokje van zijn thee. Zijn moeder doet hetzelfde. Ze blaast zachtjes over de rand van haar theekopje voordat ze haar eerste slokje neemt. De geur die hierbij Jampie’s neus binnendringt doet hem denken aan die middag toen hij zijn moeder slapend op de bank aantrof en hij per ongeluk de fles om deed omvallen.

De lange, koude winter heeft het stokje overgedragen aan een goed gehumeurd voorjaar. De uren na school besteedde Jampie voornamelijk met het brengen van korte bezoekjes aan Dirk en het maken van huiswerk met Sylvia. Het leren van woordjes blijven moeilijk voor hem maar omdat de dictee’s, merkwaardig genoeg, voldoendes opleveren is de kans dat hij blijft zitten een stuk kleiner geworden. Tekenen doet Jampie alleen wanneer hij daar echt zin in hebt. Buiten in de natuur voelt hij zich het beste om te tekenen Buiten is het rustig en is het licht beter om de kleuren goed te kunnen zien. Soms heeft hij geen idee wat hij gaat tekenen maar de drang óm te tekenen voelt hij duidelijk en die teken-drang wordt ook steeds krachtiger. De tekeningen die hij maakt laat hij aan niemand zien. Hij ziet de tekeningen die hij maakt als oefeningen zodat hij later veel mooiere tekeningen kan maken.

 

De dikke wollen deken zwaait hij met kracht van zich af en hij springt in één beweging uit bed. De ochtenden zijn al lang niet zo koud meer als enkele maanden geleden toen de winter hem dwong zich elke avond diep onder de wollen dekens te verstoppen. Het bekertje water dat maandenlang bijna elke morgen steevast veranderd was in een bekertje met ijs heeft hij van de balk gehaald. De kans op echt heel koude nachten is nu wel voorbij. De krokussen en tulpen die met veel vrolijkheid en felle kleuren zich boven de grond begeven zijn hier een aanwijzing van. Ook de kastanjebomen langs het kerkepad durven de plakkerige knopjes aan hun duizenden takken al voorzichtig te openen. Jampie bekijkt de takken van de kastanjebomen elke dag op weg naar en terug van school. Hij kan niet wachten tot de bomen met gepaste trots hun weelderige bloesems laten zien.
“Gefeliciteerd, jongen” zegt zijn vader met een grote lach op zijn gezicht.
Jampie staat in zijn pyjama in de opening van de huiskamerdeur. Zijn vader en moeder zitten tegen over elkaar aan de ontbijttafel. Boven de ontbijttafel hangen slingers die vanaf de lamp aan de muur zijn bevestigd. Jampie volgt de loop van de fel gekleurde slingers. De langste slinger hangt tussen de hanglamp in de voorkamer en de hanglamp boven de eettafel.
“Twaalf jaar!” roept zijn moeder “Gefeliciteerd!”
Jampie straalt. Zijn ogen scannen de ontbijttafel. Hierna draait hij zijn hoofd naar de voorkamer en scannen zijn ogen de bank, de tv en de koffietafel.
Zijn vader lacht. “Nee, knul. Dáár moet je kijken” en wijst naar de achtertuin.
Op zijn blote tenen tippelt Jampie achter zijn moeder langs naar het raam.
Het stralen van zijn gezicht slaat bijna om naar schijnen, als dat zou kunnen. Zijn mond gaat open maar er komt geen geluid uit. Met zijn linkerhand schuift hij snel de vitrage opzij om nog beter naar buiten te kunnen kijken. De afgelopen weken heeft zijn moeder hem diverse malen aangegeven dat ze het financieel een beetje krap hebben en dat ze daarom geen groot verjaardagskado kunnen kopen. Jampie heeft haar elke keer geantwoord dat hij dat niet erg vindt, hij spaart zelf wel voor een kado, dacht hij dan. Van zijn oude kranten-geld. De verbazing op zijn gezicht is daarom ook wel te begrijpen want wat hij in de tuin ziet staan is iets wat hij in zijn stoutste dromen niet heeft durven te vragen en al helemaal niet heeft verwacht.

“Je hebt er sowieso één nodig als je volgend schooljaar jaar naar het Grafisch Lyceum gaat in Rotterdam” zegt zijn moeder.
“En met zo’n grote ezel naar de Rotte wandelen is ook maar een gedoe, hè” grapt zijn moeder lachend.
“Echt waar?” roept Jampie. “Is dat voor mij?”
Zijn ouders zeggen niets en knikken allebei.
Zijn benen kunnen hem amper bijhouden, zo snel maakt Jampie dat hij op zijn blote voeten naar buiten gaat. Midden in de achtertuin staat hij stil bij een felrode fiets, met bagagedrager. Naast de fiets staat een echte schildersezel en op de grond staat een houten kistje.
“Net als op het tekenblok!” roept Jampie enthousiast naar zijn ouders. “Gaaf, zeg”!
Jampie pakt de ezel op en tilt het houten ding onhandig onder zijn arm naar binnen. De poten van de ezel tikken onderweg tegen de deurpost van de keukendeur, tegen de keukenkastjes, het fornuis en de deurposten binnen in huis.
“Rustig, rustig” foetert zijn moeder vanaf haar stoel aan de ontbijttafel maar Jampie reageert niet. Met zijn tong een stukje buiten zijn gesloten lippen zet hij de ezel middenin de huiskamer overeind.
Hij doet een stapje naar achter en kijkt naar de enorme ezel.
“Zo hé. Daar mot ik nog heel wat bruine bone voor vrete voordat ik daar helemaal bij kan.
“Daar ken je mooi het kissie voor gebruike” zegt zijn vader en wijst naar buiten.
“Oh ja” zegt Jampie snel. “Ken ik ook m’n kleurties in doen”
Zijn ouders knikken bevestigend.

Jampie kijkt met een verjaardagsgezicht, zoals alleen kinderen die kunnen hebben, naar de grote egale oppervlakte van de bovenkant van zijn nieuwe ezel.
“In de stad hebbe ze een winkel waar ze van die grote witte tekevelle hebbe.”
“Oh ja” zegt zijn moeder met een glimlach op haar gezicht en staat op van haar stoel. “Bijna vergete.”
Met haar linkerhand wurmt zijn moeder achter de wandkast en trekt er een groot plat pak achter vandaan.
“Nogmaals; gefeliciteerd, jongen”
Opnieuw verschijnt op Jampie’s gezicht een brede lach. Van oor tot oor.
“Gáááf zeg”
Zijn vader plaats de het pak met grote vellen tekenpapier op de ezel.
“Zo, en nu willen we je de hele zomer niet horen of zien”
Jampie moet hard lachen.

“Is dat nou?” vraagt Marja
Tineke en Marja zijn op de drukte uit de huiskamer af gekomen en zien in het midden van de kamer de grote ezel staan.
“Ezel” antwoordt Jampie
“Hoef je niet te gaan schelden meteen” mekkert Tineke.
Jampie en zijn vader lachen.
“Nee, dat is een ezel” zegt Jampie’s moeder. “Zo heet dat ding”
“Ezel?” zegt Tineke met verbazing “Oh. Nou gefeliciteerd met je verjaardag, hè. Hier”
Tineke overhandigt een klein rechthoekig pakje. “Van de schilderwinkel in de stad” zegt ze er snel bij.
Marja geeft haar zus een tik tegen haar arm. “Niet verklappen joh, muts”
Jampie scheurt het pakpapier los. In zijn handen heeft hij een zwart doosje. Hij tilt het dekseltje er af en ziet een rij grafieten potloden netjes naast elkaar liggen.
“Zijn harde en zachte, of zoiets” zegt Marja.
Jampie kijkt zijn zussen met grote ogen aan, dan zijn ouders. “Tering zeg. Die wilde ik graag hebbe. Voor het maken van schaduwen en licht en donker”
“Ja dat zei die meneer in de winkel ook al” zegt Tineke “Ken je mooi rook en luchte tekene”
“Bedankt allemaal” zegt Jampie zachtjes, duidelijk onder de indruk. “Ha’k ech nie verwacht, zeg.”

 

Jampie’s vader heeft de schildersezel door een handige collega in de bouw laten maken. Zelf heeft hij het kistje gemaakt waar Jampie zijn potloden en misschien later ook verf en penselen in kan opbergen. Daar heeft zijn vader speciale mooie vakjes voor gezaagd en getimmerd. Het kistje is afsluitbaar met een koperen slotje. De scharnieren die de beide deksel-delen bedienen zijn ook van koper. Het koper kon zijn vader mooi van de bouw meenemen. De fiets heeft zijn vader van de fietsenmaker in de dorpstraat. Na het ongeluk van Dirk is Dirk’s brommer naar de fietsenmaker gebracht . De fietsenmaker zei na een paar dagen dat de brommer zo erg kapot was dat alleen paar losse onderdelen bruikbaar waren. Jampie’s vader heeft de fietsenmaker gezegd dat hij alles mag verkopen of gebruiken en dat ze dat later dan wel een keer verrekenen. Dat verrekenen kwam nu, in de financiële krappe tijd die het gezin doormaakt, goed van pas. Jampie had nog geen fiets maar omdat hij na de zomer na het Grafisch Lyceum gaat heeft hij een fiets nodig om naar school te kunnen en de fietsenmaker heeft een tweedehands fiets die hij nog had staan opgeknapt zodat Jampie een zo-goed-als-nieuwe fiets heeft.

Jampie laat er geen gras over groeien. Na het ontbijt springt hij op zijn nieuwe rode fiets en rijdt enkele rondjes in de straat voor het huis en door de Rozenstraat die er pal achter ligt. Na een paar rondjes is aan de fiets gewend en besluit om met zijn kleine tekenblok een bezoekje aan Dirk te brengen.

Zijn fiets parkeert hij met het voorwiel in het fietsenrek bij de ingang van de begraafplaats. met het houten kistje in zijn rechterhand en het tekenblok in zijn rechterhand wandelt Jampie langzaam langs de kant van het grindpad. Hij kijkt hierbij goed uit dat hij geen opkomende krokusjes plat trapt.

“Kijk es!” zegt Jampie zachtjes en houdt zijn kistje omhoog voor de grafsteen.
“Heeft papa zelluf gemaakt. Voor m’n verjaardag. Ben vandaag jarig.”
Jampie zet het kistje naast het graf neer, haalt er een handje potloden uit en sluit het kistje. Voorzichtig gaat hij op het kistje zitten. Hij voelt even of het kistje stevig genoeg is. Zijn vader heeft gezegd dat het kistje sterk genoeg is om op te staan, daar heeft hij het ook voor gemaakt. Na een beetje heen en weer schuiven zit Jampie goed en neemt hij zijn tekenblok in zijn handen.
“Heb ook een mooie nieuwe fiets gekrege.” zegt Jampie “Met een bagagedrager voor m’n schooltas maar het kissie past er ook op. Kan ik bij de Rotte tekene en hoef ik niet meer dat tering end te gaan lope elleke keer. Papa en mama hebbe me ook een ezel gegeven met grote tekenvelle.”

Jampie zet het potlood in zijn rechterhand op het witte papier van het geopende tekenblok. Hij wil een tekening maken van de rustplaats van Dirk met de grote dennenboom er naast. Net als hij zijn potlood wil aanzetten tot tekenen kijkt hij op. Stemmen. Jampie legt het tekenblok en het potlood naast zich neer en staat op. In de verte bij de aula ziet hij boven de kale bosjes en hulststruiken hoofden heen en weer gaan. Hij hoort het geluid van voetstappen in het grind. De hoofden komen de begraafplaats op en vormen een keurige rij. De hoofden voorin de rij hebben een zwarte hoed op. Daarachter verschijnen nog meer hoofden. Sommige hoofden dragen nette hoeden, andere hoofden dragen een pet. Weer andere hoofden dragen niets. Met belangstelling volgt Jampie de lange rij mensen die dichterbij komen. Hij merkt een open graf op vlakbij hem, aan de overkant van het grindpad.

“Komme hierheen” mompelt Jampie en hij gaat snel weer op het kistje zitten. Vanaf het kistje kijkt hij toe hoe de kistdragers de mooie houten kist bij het graf zetten en gereed maken om de kist in het graf te laten dalen. De stoet met rouwende mensen volgen even later. Ademloos blijft Jampie kijken. Hij moet denken aan de dag dat Dirk is begraven en zijn moeder de gehele ceremonie heeft staan huilen. De dominee had moeite om boven haar gesnotter uit te komen.
De linkerhand van Jampie grijpt naar het tekenblok. Zijn blik blijft gericht op de begrafenis ceremonie. Zonder dat Jampie zelf lijkt te beseffen begint hij druk te tekenen. Hierbij maken de nieuwe grafieten potloden hun primeur en zijn deze potloden het overgrote deel van de tijd dat Jampie aan het tekenen is aan de beurt.
Na zo’n drie kwartier legt Jampie zijn grafieten potlood naast zich neer. Hij kijkt naar zijn tekening, kijkt dan op, maar de begrafenis is afgelopen en de mensen zijn weg. Hij kan zich niet herinneren dat hij de mensen heeft horen weglopen. Hij kan zich niets eens herinneren dat hij de dominee heeft gehoord of snotterende mensen. De tekening lijkt op het eerste gezicht een verzameling van donkere vlekken in vele veschillende tinten grijs met zwart. Het enige dat kleur heeft in de tekening zijn de jonge blaadjes aan de boom, de naalden aan de laaghangende tak van de denneboom links van hem en de gele krokusjes op het graf naast de zojuist begraven persoon. Dan merkt hij toch nog wat kleur op in de tekening, al is het vrij wazig. Naast de groep rouwende mensen, aan de linkerzijde, onder de laaghangende dennentak ziet hij drie mensen. Of eigenlijk zijn het schimmen. Hij herkent de oude kale man direct. En ook de jonge man met blonde krullen die naast hem staat. Maar deze keer staat er nog iemand bij. Een man met een rood jasje aan. Jampie knijpt zijn ogen toe om de gezichten goed te bekijken. De drie mensen in de tekening zijn wat waziger getekend dan de eerste keer toen hij de twee mensen tekende op het ijs.
“Misschien komt dat omdat toen de zon fel scheen en nu niet. Nu is het erg bewolkt.” denkt Jampie

Door de spleetjes van zijn ogen tuurt hij aandachtig over de gezichten van de drie mensen. Zijn hart slaat over. “Zou het?” denkt hij en kijkt nog eens goed. Ondanks dat de drie personen waziger zijn getekend denkt hij de derde man, en ook de jonge man met blonde krullen te herkennen. De gezichten van de drie mannen kijken vrolijk. Heel anders dan al die treurende gezichten tijdens de begrafenis. Jampie vraagt zich af of de rouwende mensen de drie blij mensen gezien hebben. Hij kan het zich zelf ieder geval niet herinneren, maar hij kan zich sowieso weinig tot niets van de tijd dat hij aan het tekenen was herinneren. De drie lachende mensen hebben alledrie hun hand in de lucht. Ze zwaaien. Naar Jampie.

MEER TEKENINGEN

“Schuif es een beetje naar rechts” zegt Jampie.
Sylvia schuift een paar centimeter over het houten bankje. “Zo?’
“Toppie” zegt Jampie. “En zo blijve zitte, okay”
Sylvia knikt. “Mag ik wel praten?”
Jampie schudt zijn hoofd. “Je ouwehoert al zat”
Sylvia moet lachen.

Jampie had Sylvia afgelopen winter beloofd van haar een mooie tekening te maken en vandaag is het zover. De hele zomer hebben ze gespeeld en gezwommen in de Rotte dus vond Jampie dat ze deze zonnige warme augustusdag het zwemmen wel een keer konden overslaan zodat hij zijn teken-belofte aan Sylvia kon waar maken. Vanuit Zevenhuizen hebben zij samen een paar kilometer langs de Rotte gefietst richting Rotterdam. Net voorbij Ommoord, waar Terbregge begint zag Jampie een geschikt plekje om te tekenen. Hij zette zijn ezel op in het hoge gras, dat vol staat met kruiden en gele en witte bloemen, op een meter of vier van het houten bankje waar hij Sylvia zei dat ze moest gaan zitten.

Achter het bankje waar Sylvia op zit kun je het riviertje De Rotte richting Rotterdam zien kronkelen onder de statige ophaalbrug De Prinses Irenebrug door. In de verte aan de rechterkant van de Rotte kun je de oude molen van Hillegersberg zien staan. Een perfecte locatie voor een mooie natuur tekening met zijn beste maatje op de voorgrond al vond Sylvia het toch maar beter om niet in bikini model te gaan zitten. “Je kent m’n vader hè” lachte Sylvia.
Jampie voelt aan de poten van de ezel of die stevig genoeg staat. Hij heeft het tekenvel tegen de egale achterzijde vastgemaakt met speciale houten knijpers waar zijn vader stukjes vilt in heeft geplakt zodat niet alleen het papier stevig ligt maar ook dat het papier schoon en heel blijft. Aan de onzichtbare golven die de ontelbare hoge flexibele bloemen in het gras met elkaar creëren kun je goed zien dat er een flink briesje staat. Jampie zal geen last van het briesje hebben, hij heeft voldoende vilt-knijpers meegenomen om het tekenvel keurig op zijn plaats te houden. Eigenlijk vindt hij het briesje wel fijn want hierdoor wapperen de lange bruine haren van Sylvia lekker eigenwijs alle richtingen op. Ook het hoge riet aan de waterkant met daartussen grote bruine ‘sigaren’, golft harmonieus heen en weer wat zorgt voor een constante verandering van kleuren. Het ene moment lijkt het riet donkergroen, een moment later lijkt het felgeel met zacht groene accenten. Het zomerbriesje en de helderwitte op dikke plukken watten lijkende zomer-bewolking die de zon af en toe voor enkele seconden doen verdwijnen, maken het voor Jampie een hele uitdaging om dit prachtige moment van rust en schoonheid exact zo op het witte tekenvel te krijgen zoals hij en Sylvia het vandaag ervaren.

Sylvia heeft jeuk aan haar billen. Ze weet dat Jampie niet gestoord wil worden dus besluit ze voorzichtig van de ene bil naar de andere bil te verzitten en schuift daarbij haar onderlichaam een beetje heen en weer.
“Assie juk heb aan je reet maggie gerust wel effe jukke hoor” zegt Jampie achter zijn ezel vandaan.
Sylvia moet lachen “Ik wou je niet storen en stil blijven zitten maar dit bankje begint behoorlijk te jeuken. Haar rechterhand beweegt zij ruw heen en weer onder haar billen en langs haar onderrug.
“Je mag gerust bewege assie dat wil. Assie maar nie ouwehoert.’ zegt Jampie serieus.
Sylvia lacht weer maar houdt haar lippen stijf op elkaar.

Passerende fietsers houden hun snelheid in wanneer ze voorbij de jonge tekenaar komen. Allemaal proberen ze een glimp op te vangen van de tekening die Jampie aan het maken is. Sylvia zwaait vriendelijk naar de fietsers maar houdt haar mond stijf dicht. Jampie heeft zijn ezel strategisch neergezet, precies zo dat niemand die voorbij komt zomaar zijn tekening kan zien. Hij vindt het maar vervelend wanneer mensen hun neus in zijn werk steken wanneer het nog niet af is. En al helemaal wanneer ze tegen hem gaan praten. Soms gebeurt het toch en dan is Jampie uit zijn concentratie en kan het enkele minuten duren voordat hij weer helemaal terug in zijn tekening is.

 

“Wat is dat nou?” vraagt Sylvia verbaasd. Haar vinger draait rond aan de bovenzijde van Jampie’s tekening.
“Gebouwe, hele hoge gebouwe” antwoordt Jampie.
Sylvia steekt haar hoofd om de ezel en kijkt langs het bankje waar zij zojuist op zat, in de richting van de stad.
“Ik zie die molen wel, en ik zie De Rotte en bomen en zo, maar die gebouwe zie ik niet. Die bestaan ook helemaal niet. Heb je die er maar gewoon bij bedacht, is dat een nieuw thema of zo?”
Jampie kijkt aandachtig naar het eindresultaat van zijn kunstwerk. Hij schudt zijn hoofd.
“Ik heb er niks bij bedacht” Hij kijkt zelf ook even langs de ezel in de richting van de stad en dan weer naar zijn tekening. “Ik zag het”
“Je zag wat” vraagt Sylvia. Ze klink een beetje geïrriteerd. Deze tekening zou speciaal voor haar worden en nu lijkt het net of Jampie gewoon maar allerlei gebouwen er bij heeft getekend die er niet zijn.

“Ik zag die hoge gebouwe. Precies zoals ze op de tekening staan.”
Jampie wijst op de tekening naar de glimmende torenhoge flats in de verte achter dennenbomen.
Sylvia kijkt Jampie aan alsof ze water ziet branden.
“En nu?” vraagt Sylvia “Als je nu kijkt, zie je dan hoge glimmende gebouwen achter de bomen?”
Jampie kijkt in de richting van de stad, hij schudt zijn hoofd
Stilzwijgend kijken Jampie en Sylvia een tijdje naar de enorme tekening.

 

“Weet je?” zegt Sylvia “Ik vond het eerst niet mooi maar als ik zo een tijdje naar je tekening kijk dan vind ik het toch best wel mooi zo met die glimflats, of wat het ook zijn. Als jij glimflats hebt gezien dan horen de glimflats in de tekening.
Jampie knikt. “Het is alsof die glimflats daar horen.”

Jampie maakt voorzichtig de knijpers om zijn tekening los, rolt de tekening op en bergt deze op in een kartonnen koker die Sylvia heeft meegenomen. Sylvia’s vader ontvangt per post wel eens muur-posters voor de kerk en het kerkelijk centrum. Meestal zijn het aankondigingen van concerten. Die muur-posters zitten in lange, stevige kartonnen kokers. Sylvia heeft haar vader gevraagd om de kokers voor Jampie te bewaren zodat hij zijn tekeningen daar veilig in kan opbergen.

“Je hebt mij mooi getekend, Jampie” zegt Sylvia met een tevreden glimlach op haar gezicht. Haar bruine lange haren wapperen in de warme oostenwind. De kartonnen koker met daarin Jampie’s meest recente kunstwerk draagt zij in haar rechterhand. Jampie fietst links van Sylvia en draagt zijn ezel in zijn linkerhand. De warme oostenwind die recht in hun gezicht waait trekt wat aan, het sterk aantrekken van de wind gebeurt wel vaker op hete augustusdagen in de middag.
“Ja” zegt Jampie “De kleuren komen precies zo uit als dat ik hoopte. Jouw lichtblauwe jurkje en je dansende haren ook”
“Zal m’n vader ook mooi vinden” zegt Sylvia “Hij zegt altijd dat ik van die mooie glanzende haren heb.”
“Nee” zegt Jampie kortaf. “Nog niet laten zien. Aan niemand. Ik bewaar de tekening thuis voorlopig”
“Huh?” zegt Sylvia verbaasd. “Waarom niet? Is toch een mooie tekening? Mag je trots op zijn.”
“Ja” zegt Jampie “Maar als jouw vader en andere mensen de tekening zien gaan ze natuurlijk zitte te zeike over die glimflats en daar heb ik geen zin in.”
“Oh” zegt Sylvia zachtjes. “Ja, snap ik wel.”

De laatste dagen van de zomervakantie begon het te kriebelen in de buik van Jampie. De nieuwe school kwam elke dag een beetje dichterbij. Een beetje eng wel zo’n grote stap ineens. Het einde van een lange warme zomer. Het betekende ook het einde van thuis boterhammetjes eten met zijn moeder. Op de nieuwe school in Rotterdam eet hij zijn lunchpakketje in een grote aula met alle andere leerlingen.

Aan de lange dagen van huis heeft Jampie snel kunnen wennen. Een nadeel van het langer weg zijn van huis vindt hij dat hij geen zicht meer heeft op zijn moeder. In de zomervakantie heeft Jampie zijn moeder namelijk een paar keer in een niet zo frisse toestand thuis aangetroffen. Zo liet ze één keer een pan met gloeiendhete aardappelen vallen waarbij ze haar blote voeten verbrandde en de dokter met spoed moest komen. Gelukkig was Jampie net thuis van zwemmen. Ook al deed de dokter zijn best om Jampie’s moeder op subtiele wijze te wijzen op haar excessieve, onverantwoorde drankgebruik, wat dankzij de enorme kegel alcohol die uit haar mond vloeide voor de dokter een glashelder feit was, zag Jampie bij het thuiskomen meteen dat zijn moeder stomdronken was. Hij rook de alcoholdampen al ruim voordat zij de pan met hete aardappelen uit haar slappe handen liet kletteren. Ook merkte Jampie aan de paar woorden die zijn moeder tegen hem sprak dat haar tong enigszins gezwollen was.
Alleen in de paar weken dat vader thuis was wegens vakantie was zijn moeder in staat om van de fles af te blijven. Samen dronken zij af en toe een biertje of een glaasje rosé na het eten, maar dat was het dan ook wel.

De verbrandde voeten van Jampie’s moeder hebben de dagen er op volgend bij hem thuis voor heel wat ruzie’s gezorgd. Jampie zorgde dan dat hij het huis uit was en bleef, als het mocht van Sylvia’s vader, bij Sylvia thuis eten. Sylvia’s moeder kookt lekker, vindt Jampie. Macaroni. Niet het soort macaroni die hij thuis wel eens eet maar een modern soort macaroni die lijkt op slakkenhuizen en schelpen. Zo omschreef Jampie het zelf eens tegen zijn moeder. Sylvia’s moeder doet veel verschillende soorten groenten en kruiden door haar schelpen-macaroni.

Sylvia is ook over naar het voortgezet onderwijs. Haar vader vond het een goed idee dat Sylvia naar de Christelijke Scholengemeenschap De Driestar zou gaan. Sylvia zag dat helemaal niet zitten omdat De Driestar min of meer een verlengde van haar vaders strenge gedisciplineerde opvoeding is en het ergste van alles is dat zij op die school alleen maar rokken mag dragen. Sylvia heeft hemel en aarde geprobeerd te bewegen om haar vader op andere gedachten te brengen maar haar vader was voor geen enkele rede vatbaar.

Nu Jampie in Rotterdam op school zit en Sylvia in Gouda zijn de weekenden nog de enige optie elkaar te zien. Jampie en Sylvia gaan samen op de fiets vaak de natuur in waar Jampie op een rustig plekje urenlang kan zitten tekenen. Sylvia schrijft dan in haar dagboek, kijkt naar hoe Jampie opgaat in zijn passie voor tekenen of wandelt een stukje en plukt veldbloemen.

Oude kranten brengt Jampie niet meer woensdag  maar op zaterdag naar Lok. Maar hij haalt de oude kranten niet meer op bij de mensen thuis, ze mogen ze zelf bij hem in de schuur leggen.

Sylvia’s vader had pas een mooie verrassing voor Jampie. De Koster, die van Sylvia’s vader hoorde dat Jampie zo mooi kan tekenen, heeft aan de vader van Sylvia gevraagd of Jampie misschien niet een tekening van de kerk zou willen maken. Jampie heeft het verzoek meteen geaccepteerd en zat datzelfde weekend nog met Sylvia op de dijk aan de waterkant van de Ringvaart, ook wel gewoon het kanaal genoemd. Volgens Jampie is dat de beste plek om de kerk te tekenen. Sylvia zorgde dat passerende mensen Jampie niet zouden storen tijdens zijn werk, zo kon hij in rust de kerk met al haar prachtige details, in exacte kleuren op het witte tekenvel projecteren.

De Koster straalde bij het zien van het bijzondere kunstwerk van Jampie. Sylvia’s vader was enorm trots en tikte Jampie wel twintig keer op zijn schouders. Bijzonder vonden zij Jampie’s kunstwerk omdat in de tuin van de kerk, in het gras, twee bruidsparen zijn getekend. Terwijl er die dag dat Jampie zat te tekenen, geen huwelijk is gesloten. Beide bruiden hebben een klassieke, hagelwitte bruidsjurk met lange sleep aan en hun bruidegoms zijn gekleed in zwarte kostuums en dragen een hoge zwarte hoed. Op de achtergrond, op het wandelpad, heeft Jampie nieuwsgierige inwoners van het dorp getekend. De tekening van de kerk is ingelijst en heeft een mooie plek aan de muur bij de entree van de kerk gekregen zodat alle kerkgangers bij het binnenkomen en weer naar buiten gaan de tekening kunnen zien. Voor Jampie was het maken van de tekening van de kerk een mijlpaal. Het was zijn eerste betaalde tekenopdracht. De Koster heeft Jampie vijftig gulden gegeven voor zijn tekening.

Omdat de Koster zo tevreden was heeft Jampie de Koster gevraagd of hij boven in de kerktoren zou mogen tekenen. Jampie droomde er sowieso altijd al van om ooit eens boven in de toren te mogen zijn om over Zevenhuizen uit te kunnen kijken. Dat moet een machtig gezicht zijn, dacht hij. De Koster vond het prima. Samen met Sylvia heeft hij vervolgens de hele middag helemaal boven in de toren doorgebracht. De eerste keer dat de grote klok sloeg viel Jampie zo abrupt uit zijn concentratie dat hij pardoes omviel. Gelukkig viel zijn ezel hierbij niet om. Sylvia grapte nog dat hij blij mag zijn dat het niet laat was en dat de klok maar slechts twee keer sloeg. Vanaf dat moment heeft Sylvia de tijd in de gaten gehouden. Vlak voor elk half uur en vlak voor elk heel uur zei zij tegen Jampie dat hij even moest stoppen.

Voordat Jampie en Sylvia de lange, smalle trap naar beneden afliepen hebben zij eerst rustig de tijd genomen om bij te komen van het verbluffende resultaat dat Jampie heeft geleverd op het witte tekenvel. Gedurende de uren dat Jampie stond te tekenen heeft Sylvia voornamelijk naar buiten gekeken. Zij herkende alles van bovenaf. Haar huis, dat van Jampie, hun oude school, Hotel Vos, De Rotte, De Hennipsloot en in de verte zelfs Nieuwerkerk aan den IJssel, Oud Verlaat, de nieuwe witte woon-flats in Ommoord en de andere wijken van Rotterdam. Bij het zien van Jampie’s tekening was Sylvia’s dan ook erg verrast. De tekening lijkt in slechts enkele details op het werkelijke uitzicht. Jampie krabde zich een paar achter zijn oor, hij begreep er niets van.

Hij gaf Sylvia groot gelijk. Zijn tekening is mooi maar zijn dorp is het niet. Ja, je kunt sommige huizen nog wel herkennen maar er zijn heel veel huizen bijgetekend. En de school is weg, daar werd Sylvia zelfs nog een beetje boos om. Op de plek van de school heeft Jampie een heel lelijk bakstenen gebouw getekend. En auto’s. Overal in de tekening heeft Jampie auto’s getekend. Wat hen ook opviel waren de grote aantallen huizen net buiten het dorp en de vreemde kaarsrechte kanalen naast de Hennipsloot en de Rotte. In de verte lijkt Rotterdam meer op New York. Op school hebben zij foto’s van New York gezien en net als in Jampies tekening hebben ze daar hoge flats. Wolkenkrabbers. Veel van de die wolkenkrabbers schitteren in de zon alsof het spiegels zijn, net als in Jampies tekening.

Op school kon Jampie goed meekomen. Buitengewoon goed zelfs. In de vier jaren op het Grafisch Lyceum heeft hij ontdekt dat hij puur vanuit gevoel creëert. Tijdens zijn vier jaren op het Grafisch Lyceum heeft hij de kleurpotloden ingeruild voor olieverf maar wanneer hij in het weekend op pad gaat tekent hij nog altijd met potloden. Zijn extreem scherpe oog voor detail en kleur heeft hem al tientallen opdrachten opgeleverd. Bij de meeste opdrachten was hij vrij om het door de opdrachtgever gewenste thema in te vullen. Voor Jampie zijn dat de beste opdrachten omdat hij dan niet per ongeluk een tekening of schilderij kan verknallen met een niet bestaand gebouw of met mensen die er niet zijn. De schilderijen en tekeningen die hij maakt krijgen veel publiciteit in de kunst-liefhebbende stad. Dat vindt hij wel gers. Gers is een typische Rotterdamse uitdrukking dat hetzelfde betekent als gaaf, cool en toppie. Tijdens een expositie op school verkocht Jampie enkele tientallen schilderijen en tekeningen die hij op school heeft gemaakt. De kunstwerken heeft hij op dezelfde manier gemaakt zoals hij ooit op de lagere school de kaars met dennetakken heeft getekend. Hij denkt dan sterk aan een naam, gebied, land of thema en vervolgens creëert hij een uniek kunstwerk.

Tijdens de expositie werd hem meerdere malen gevraagd hoe het kan dat hij met zulke precisie gebieden kan tekenen waar hij nog nooit is geweest. Zijn antwoord was steevast dat hij foto’s bekijkt in de bibliotheek en deze als voorbeeld neemt. De mensen namen zijn uitleg zonder enige twijfel direct aan en knikten begripvol. Maar de waarheid is dat Jampie geen enkele foto heeft gezien voordat hij aan zijn schilderijen begon. Bij het denken aan schoonheid was de uitkomst op de ezel een landschap met tientallen watervallen en een weelderige tropische begroeiing. Tot in het kleinste detail had hij zonder te weten de Iguaçu watervallen op de grens van Argentinië en Brazilië geschilderd. De voor de watervallen zo typerende mist heeft hij zo echt weten te schilderen dat het lijkt of de mist elk moment uit het schilderij kan komen.

Omdat Jampie al goed geld kan verdienen met zijn kunstwerken heeft hij enkele maanden geleden besloten, nu hij het Grafisch Lyceum doorlopen heeft, een ruimte in de binnenstad van Rotterdam te huren en daar te gaan werken. Hij heeft immers geen zin om iets anders te gaan doen dan wat hij nu doet dus waarom zou hij zijn kostbare jaren gaan verspillen in de schoolbanken terwijl hij van elk kunstwerk dat hij maakt veel meer leert en heel blij wordt? Een brede en diepe ruimte aan de Nieuwe Binnenweg is nu zijn atelier. Achterin de ruimte heeft zijn vader voor hem een keukentje gebouwd zodat hij voor zichzelf af en toe een maaltijd kan bereiden en zijn eigen thee en koffie kan zetten. En omdat Jampie soms tot heel laat aan het werk is heeft zijn vader ook meteen maar naast het keukentje een wandje gemaakt en daar het oude bed van Dirk neergezet zodat Jampie er ook af en toe een nachtje kan slapen.

Maar voorlopig mag Jampie er geen gewoonte van maken in zijn atelier te slapen. Zijn moeder beaamde dat Jampie in korte tijd al erg volwassen is geworden maar nu hij dezelfde leeftijd heeft als Dirk toen die overleed wil Jampie’s moeder haar zoon graag zo vaak mogelijk thuis zien komen en zo vaak mogelijk kunnen spreken. Jampie heeft om deze reden bij de gemeente meteen een telefoonnummer voor zijn atelier aangevraagd. Elke dag belt hij zijn moeder tussen de middag tijdens het eten van een boterhammetje en soms komt zijn moeder op de fiets naar hem en blijft ze in het atelier tot een uur of vier. Meestal neemt ze dan zijn vuile theedoeken en handdoeken mee, verschoont ze de lakens van zijn bed en maakt ze het keukentje en het toilet schoon. Samen drinken ze ’s middags dan een kopje thee.

Jampie’s moeder werd pas geleden ineens erg ziek. In het Dijkzigt ziekenhuis, dat vlakbij zijn atelier ligt, hebben ze haar behandeld waardoor zij in korte tijd al haar zwarte haren is kwijt geraakt. De oncoloog zei dat de ziekte in haar lever is begonnen en dat het daar vandaan door haar hele lichaam is verspreidt. Ook is zij veel gewicht verloren en ze was al niet zwaar. Marja en Tineke hebben het werk in huis van hun moeder overgenomen en verzorgen hun moeder zoveel en zo vaak als zij kunnen. Jampie’s zussen zijn allebei van school en werken bij een gerbera kwekerij in de buurt. Met hun werkgever hebben ze kunnen afspreken dat Marja en Tineke om beurten verschillende tijden werken. Zo kunnen ze de hele dag hun moeder verzorgen. Zijn zussen hebben allebei verkering en slapen om de dag bij hun vriendje. Het lijkt er op dat zijn zussen binnenkort het ouderlijk huis gaan verlaten. Hij hoorde ze met elkaar praten over een huis en samenwonen. Jampie heeft er geen aandacht aan geschonken.

 

“Neem jij vanmiddag verse gember en honing mee uit de stad?” vraagt Marja aan Jampie “Of blijf je daar vanavond?”
Jampie schudt zijn hoofd “Kom thuis” mompelt hij en trekt de wollen muts over zijn oren. “Nog meer?”
Marja schudt haar hoofd.
Jampie opent de keukendeur. Het krakende geluid dat onder zijn schoenen vandaan komt bij het naar buiten stappen bewijst dat de winter voor de deur staat. De gisteren gevallen sneeuw die langzaam weg smolt is halverwege de nacht aangevroren.
“Anders bel je maar naar het atelier” zegt Jampie en sluit de keukendeur.

Jampie pakt zijn rode fiets uit de schuur.

Zijn vader vroeg hem of hij zijn fiets binnenkort niet wil inruilen voor een tweedehands brommer. Jampie schudde zijn hoofd. Dat zou hij zijn moeder niet kunnen aandoen. Het mens zou elke dag in doodsangsten zitten. Dat Jampie op de fiets naar de binnenstad gaat vindt ze al niet zo fijn maar omdat ze weet over welke fietspaden hij fietst – omdat ze zelf al een meertal keren heen en weer naar zijn atelier is gefietst – voelt ze zich al een stuk minder ongerust.

De aangevroren sneeuw knettert en spettert onder de rubberen banden. Jampie moet wat meer kracht op de pedalen zetten om op hetzelfde tempo te komen dat hij elke morgen fietst. De koude wind snijdt door de wollen wanten. Jampie wisselt om de paar minuten zijn handen aan het stuur zodat zijn koude handen om de beurt in zijn jaszakken tijdens het fietsen kunnen opwarmen. Hij denkt aan zijn moeder. Hij denkt aan zijn broer. De laatste tijd, vlak voordat zijn moeder ineens ziek werd, merkte Jampie dat zijn moeder vrolijker werd. Ze lachte meer, vertelde zelfs grapjes. Ook kocht ze kleding met kleur. Voor haar vader kocht ze afgelopen zomer zelfs een flitsend rood modieus jasje. Zijn vader lag dubbel van het lachen toen hij het hippe jasje aan een hangertje in de huiskamer zag hangen, maar zijn moeder was bloedserieus. Zijn vader zou en moest er keurig en hip uit zien. Inclusief reuzensnor en bakkebaarden.
Het deed Jampie goed zijn moeder weer zichzelf te zien worden. Hij heeft sinds die tijd geen spoortje alcohol aan haar adem kunnen bespeuren en hij heeft ook geen drankflessen meer gevonden in huis.

“Kachel an” mompelt Jampie. Hij draait aan de grote ronde knoppen van de brede witte radiatoren voor- en achterin zijn atelier. Hij beseft dat hij de verwarming vanaf nu elke dag aan moet zetten en ’s nachts ook aan moet laten. Er staan veel kunstwerken in het atelier en een vermogen aan verf dat absoluut niet mag bevriezen.

Met een pot hete kamillethee gaat Jampie op een stoel bij het raam zitten. De pot thee zet hij op de brede, gloeiend hete radiator. Jampie staart voor zich uit waar mensen dik ingepakt zich lopend of op de fiets een weg over de Nieuwe Binnenweg banen. Mensen stappen uit, en in de tram. Het geluid van de typische Rotterdamse trambel ebt langzaam weg. Jampie zet zijn mok thee op de radiator en reikt zijn vrije hand naar de muur waar een zwarte antieke telefoon staat waarvan het snoer stevig omhuld is met zwart, dik garen.

“Goeiemorrege” zegt Jampie zachtjes.
“Morrege” kraakt het aan de andere kant van de lijn.
“Ben je an ’t werk?” vraagt zijn moeder.
Jampie zucht diep. Zijn ogen volgen een oude vrouw die voorovergebogen voorbij waggelt.
“Zit een pot thee leeg te maken, verders niks.”
“Lekker” mompelt zijn moeder. Haar stem klinkt vochtig.
“Mot je gember hebbe?” vraagt Jampie
“As ’t op is wel ja” zegt zijn moeder
“Ja, en honing, zei Marja.’
“Je zusse verzorrege me goed. Ik weet dat ’t een stelletje darreme kenne weze maar t benne goeie meide.’
Jampie knikt. “Wee’k wel.”

Bij het trapje van de tram glijdt een jonge vrouw, gehuld in een lange olijfgroene wollen jas met bont op de randen, bijna onderuit. Jampie schrikt er van. Een jongen die net voor de jonge vrouw is uitgestapt weet haar nog net bij haar arm te pakken waardoor ze overeind blijft. Jampie ziet hoe de blikken van de jonge vrouw en de knul elkaar ontmoeten en dit aan elkaar bevestigen met een vriendelijke lach.

“Heb je beetje kenne slape?” vraagt Jampie
“‘Ach, Ik slaap korte beetjes. Alles is anders, alles voelt anders. Ik ben mezelf allang nie meer, m’n lijf is er klaar mee, jong.”
Jampie pakt zijn mok thee en slurpt een slokje thee naar binnen.
“Hé!” zegt zijn moeder nu iets luider. “Niet slurpen.”
“Een zuinige glimlach verschijnt op Jampie’s gezicht.
“Ga maar lekker slapen, Ik zie je strakkies”
“Oké…doeoeoeiii” zegt zijn moeder.

 

Jampie struint langs zijn schilderwerken op canvas die in rijen dik langs de muur in zijn atelier opgesteld staan. Hij weet elk werk te noemen door alleen al naar de rand te kijken. Zijn hand reikt naar een schilderwerk halverwege een rij in het midden van het atelier. Jampie draait zijn rug naar het raam. Het grijze licht van buiten valt via het grote raam op het doek. Alleen Sylvia heeft dit werk gezien. Hij schilderde het twee maanden geleden, zijn vader was de keuken in zijn atelier aan het timmeren. Jampie haalt zijn schouders op en glimlacht. Zijn kunstwerk beweegt hierdoor op en neer. Niets op het doek herkent hij maar hij zag het allemaal op het moment dat hij aan het schilderen was. De zon scheen uitbundig. Het was warm in het atelier en Jampie kreeg de behoefte om buiten te gaan schilderen.

Het Weena leek hem wel een mooi plekje. Daar was veel bedrijvigheid in verband met nieuwbouw. Hij zette zijn ezel op de hoek van het Kruisplein aan de overkant van het Groothandelsgebouw en had een thermoskan met koffie naast zich staan. Een uur of drie later was het resultaat een doek vol met glimmende gebouwen. Twee gebouwen zelfs zo hoog dat zij maar net aan op het doek passen. “Wolkenkrabbers” mompelde Jampie. Het station zoals hij dat kent met de voorbijrijdende trams is op zijn schilderij niet zichtbaar. Hij ziet in zijn schilderij wel de letters ‘Rotterdam Centraal’ staan onder een glimmend object wat nog het meest weg heeft van een ruimteschep uit Star Trek. Wat Jampie opviel en nog altijd bezig houdt is het felle licht dat boven in zijn schilderij de felblauwe lucht boven de wolkenkrabbers doet vervagen. Het lijkt of de zon precies boven de fontein op de Coolsingel zo over het Weena schijnt. Maar dat is nu juist zo vreemd, de zon staat pal aan de andere kant. Vanaf de plek waar Jampie het Weena heeft getekend kijk je naar het noord-oosten. Jampie herinnert zich nog goed hoe de zon urenlang in zijn nek heeft staan branden, nadat hij klaar was met schilderen.

Hij liet zijn werk aan Sylvia zien die middag, zij kwam uit Gouda met de trein, na schooltijd. Jampie was net klaar toen zij van het centraal station, via het Kruisplein richting naar de Westersingel wilde lopen om een stukje verder de Binnenweg op te gaan. Zij zag de ezel van Jampie al vanaf de trams. Sylvia had hem gezegd dit schilderij maar bij de andere vreemde kunstwerken te zetten. Ze vond het schilderij vreemd en eng, ze wilde het liever niet meer zien.

Jampie loopt met het schilderij naar het bed achter het wandje naast het keukentje en schuift het doek onder het bed.

Het waren vier zware weken. Jampie heeft zijn atelier aan de Nieuwe Binnenweg in die vier weken slechts enkele keren geopend. De dagen bracht hij voornamelijk thuis door, bij zijn moeder. Hierdoor kregen zijn zussen ook wat meer lucht en konden zij hun betaalde werk bij de gerbera kweker hervatten. Om de dag slapen één van zijn zussen thuis. De andere nachten slapen ze bij hun vriendje. Jampie’s vader gaat iedere morgen al heel vroeg naar zijn werk, zoals gewoonlijk. Hij zou wel thuis willen blijven bij Jampie’s moeder maar het is te druk op de bouwplaats.

 

“Tien!” mompelt Jampie’s moeder.
Jampie ziet de rechterarm van zijn moeder omhoog bewegen. Haar ogen zijn gesloten.
Het aangepaste bed dat Het Groene Kruis heeft laten afleveren staat in de lengte voor het raam in de voorkamer. Op de plaats waar de krantenbak en de bank stond. Vanaf het hoge bed kan zijn moeder fijn naar buiten kijken. Ze zwaait af en toe naar buurtjes die voorbij wandelen op weg naar dorp voor een boodschap. Sommige buurtjes komen op hun weg terug een kopje thee of koffie drinken. Ze nemen dan meestal wat lekkers mee van bakkerij Gerritsen in de Dorpstraat. Deze nieuwe bakkerij, die heerlijk vers slagroomgebak verkoopt, is in korte tijd heel populair geworden bij de bewoners van Zevenhuizen. Jampie’s moeder vindt de bezoekjes van de buurtjes gezellig maar het gebak dat ze van de bakker meenemen laat ze staan. Eten gaat al weken niet meer.

Jampie laat zijn kop thee zakken. Vanaf de eettafel ziet hoe zijn moeder haar half opgeheven arm weer naast zich neer legt.
“Wattisser?” vraagt Jampie
Het hoofd van zijn moeder draait langzaam over het brede zachte kussen naar rechts, haar ogen half geopend.
“Is Tien d’r nie?”
Jampie schudt zijn hoofd. “Werreke”
Hij schuift de stoel naar achter, staat op en loopt naar het bed. “Wat wil je van Tineke?”
Met gesloten ogen schudt Jampie’s moeder langzaam haar hoofd. “In de kast boven. In de slaapkamer. Rechts.”
De vingers van haar rechterhand bewegen vlak boven het laken, wijzend naar boven.

Wat zijn moeder van hem of van Tineke wil weet hij niet maar Jampie gaat naar boven om te kijken of hij iets in de muurkast in de slaapkamer van zijn ouders kan vinden dat ze zou kunnen bedoelen. Zijn ogen vallen direct op het transparante plastic aan een hangertje, helemaal rechts aan de stang naast de jassen van zijn vader en moeder. Jampie haalt het hangertje met het plastic van de stang. Hij houdt het hangertje omhoog zodat het licht van buiten er goed op valt. Onder het plastic neemt hij een lichtblauwe jurk waar. Hij probeert zich te herinneren of zijn moeder de blauwe jurk ooit heeft gedragen maar zijn geheugen geeft geen herinnering prijs. Toch meent hij de jurk te kennen.

“Deze?” vraagt Jampie. Het plastic om de blauwe jurk heeft hij omhoog getrokken zodat zijn moeder de jurk goed kan zien.
Haar rechterhand komt van het bed omhoog. Met haar duim en wijsvinger voelt ze aan de stof van de blauwe jurk. Ze knikt goedkeurend. Uit haar keel klinkt een licht gorgelend geluid, ze schraapt haar keel.

“Deze wil ik aan” zegt zijn moeder met een vochtige klank in haar stem. De wijsvinger die zojuist de lichtblauwe stof voelde wijst nu zelfverzekerd naar de blauwe jurk die Jampie in zijn hand heeft.
“Heb ik bij Ter Meule gekocht. Mooi hè?”
Jampie knikt. Hij vindt de jurk inderdaad mooi. De lichtblauwe kleur doet hem denken aan de verschillende tinten blauw die hij gebruikt in zijn tekeningen en schilderijen om luchten te maken.
Jampie glimlacht naar zijn moeder. “Hier, doen we net of je de jurk aan heb” Hij trekt het plastic omhoog, neemt de jurk van het hangertje en drapeert de blauwe jurk over het bed van zijn moeder. De ronde hals legt hij vlak onder haar sterk vermagerde gezicht.
“Zóóó” zegt Jampie quasi vrolijk en doet een stapje naar rechts zodat hij zijn moeder goed kan zien. Op dat moment voelt hij een ijskoude rilling langs zijn rug gaan. Hij raakt zich bewust van iets dat hij al die jaren niet kon bevatten. Maar hij wil zijn moeder zijn plotseling opkomende realisatie en de daarbij komende stress niet laten merken.

“Prachtig” zegt Jampie. In zijn stem is enige vibratie hoorbaar.
“Je hoeft niet bedroefd te zijn, jong” zegt zijn moeder die denkt dat Jampie geëmotioneerd is geraakt bij het zien van de blauwe jurk en het feit dat hij binnenkort afscheid moet nemen van zijn moeder die gekleed zal zijn in deze jurk.
“Ik ben toch ook niet bedroefd?” zegt zij er achteraan om Jampie gerust te stellen.
“Laat ik de jurk weer ophange voordat we d’r vlekke op make” zegt Jampie. Hij hangt de jurk aan het hangertje en trekt het plastic er weer overheen.
“Ik hang de jurrek weer bove in de kast”
Zijn moeder knikt instemmend en sluit haar ogen.

Met grote stappen en een bonkend hart raast Jampie naar zolder. Hij legt de blauwe jurk aan het hangertje over een stoel, trekt de kast open en pakt zijn oude tekenblok. Hij loopt naar het raam, draait zich om en slaat de omslag open. Daar ziet hij zijn eerste tekening. De tekening die hij maakte van de schaatsende mensen op de Rotte. Jampie houdt zijn adem in en sluit voor een seconde zijn ogen. Hij had het al die tijd kunnen weten maar beseft nu dat hij het niet wilde weten. De twee zwaaiende mensen achterin de tekening kent hij maar al te goed. En de oude man,…. is geen oude man. Als Jampie niet zoveel andere mensen op het ijs had getekend dan had hij waarschijnlijk al meteen kunnen zien dat het geen oude man is. De benen van de twee zwaaiende mensen zijn niet te zien omdat er ter hoogte van hun benen drie kinderen met een slee net voorbij komen wandelen. Links en rechts van de zwaaiende mensen heeft Jampie schaatsende mensen getekend. Hierdoor zijn details niet helemaal zichtbaar. Maar nu ziet hij het. Nu weet hij het. Het maakt hem bang. Doodsbang.

Sylvia gaat uit school meteen naar het huis van Jampie om te kijken hoe het met Jampie’s moeder gaat. Jampie opent de voordeur maar geeft Sylvia geen kans om de huiskamer in te gaan.
“Auw!” zegt Sylvia. “Wat ben je ruw, wat is er?”
“Kom nou” zegt Jampie ongeduldig en trekt Sylvia aan haar arm de trap op.
Op zolder gaat Jampie op zijn bed zitten en pakt zijn oude tekenblok van zijn bed. Sylvia staat voor hem en kijkt hem onnozel aan.
“Wat heeft deze drukte ineens te betekenen? vraagt Sylvia. “Snap er niks van”.
Jampie slaat met zijn rechterhand zachtjes naast zich op het deken “Kom zitten.”
Sylvia draait zich om en laat zich naast Jampie op bed zakken.
Jampie slaat zijn tekenblad open en wijst met zijn rechterwijsvinger naar het zwaaiende tweetal.
“Weet je nog?”
Sylvia knikt. “Ja, natuurlijk. Was ik toch bij!”
“Ouwe man zeiden we, hè?”
Sylvia kijkt Jampie aan maar die blijft zijn blik op de tekening houden. “Ja” zegt zij.
“Kijk eens goed naar de kleding” Jampie geeft het tekenblok aan Sylvia.”Ga maar effe bij het raam staan, is beter licht.”
Sylvia neemt het tekenblok aan en loopt naar de andere kant van de kamer waar zij zich omdraait zodat het buitenlicht op de tekening kan vallen. Intussen staat Jampie ook op en pakt van zijn stoel de blauwe jurk van zijn moeder.
“Ik snap het nog steeds niet” zegt Sylvia en laat het tekenblok zakken. Dan ziet zij de blauwe jurk in Jampie’s handen.
“Wat is dat nou?’ vraagt zij verbaasd.
“Van m’n moeder.” zegt Jampie “Wil ze in begrave worde. Heeft ze pas bij Ter Meule gekocht”
“Mooi zeg” zegt Sylvia.
“Ja, heel mooi maar kijk nou eens goed naar de tekening”
Sylvia richt haar blik weer op de tekening.
“Oóóóh”, rolt het zachtjes uit haar mond. “De oude man”
“Uhu” knikt Jampie “Wat dus geen oude man is, maar..”
“…..Maar je moeder” maakt Sylvia Jampie’s zin af.

Sylvia en Jampie kijken elkaar enkele seconden stilzwijgend aan. Ongeloof en besef wisselen elkaar in hun ogen af.

“Maar Jampie” vraagt Sylvia “Wat betekent dit?’
Jampie trekt het tekenblok uit Sylvia’s handen draait zich om en komt naast haar staan. Hij wijst naar het zwaaiende tweetal in de tekening.
“Het betekent dat dít mijn moeder is en dát mijn broer Dirrek”
“Heus?” vraagt Sylvia “Weet je dat echt zeker?”
“Absoluut” zegt Jampie zelfverzekerd. “Ik wist het eigenlijk altijd al maar omdat het te zot voor woorden leek heb ik mijn gevoel al die tijd genegeerd. Ik heb hen gezien op het moment dat ik aan het tekenen was. Echt gezien. En nu komt het allemaal uit. Mijn moeder die kaal is en veel kilo’s kwijt is geraakt. Ze ziet er inderdaad een beetje uit als een oude man. En het blauw in de tekening is haar jurk.”

Sylvia kijkt Jampie aan. “Dus je ziet dingen. Ik bedoel, dode mensen. Toch?”
Jampie haalt zijn schouders op. “kennelijk. Maar het gaat verder dan dit. Ik heb zoveel tekeningen gemaakt waar dingen in staan die er niet waren. Wat heb ik eigenlijk gezien?”
Sylvia schudt haar hoofd, zij zegt niets.

“Hier” zegt Jampie. Hij wijst op de tekening die hij heeft gemaakt op de begraafplaats enkele jaren geleden op zijn verjaardag “Kijk eens goed.”
“Oh?” zegt Sylvia verbaasd. “Deze tekening ken ik niet”
“Je kent er zoveel niet” zegt Jampie “Ik heb veel van mijn tekeningen voor mezelf gehouden juist om deze reden.”
Sylvia knikt. “Met zijn drietjes? Wie is de derde?”
Jampie zucht diep en loopt naar de muurkast en pakt een hangertje van de stang.
“Kijk” zegt Jampie. Hij houdt het felrode jasje in zijn hand dat zijn moeder voor zijn vader heeft gekocht omdat zij vond dat hij er best hip uit mag zien. “Is van m’n vader”
Sylvia slaat een hand voor haar mond en kijkt verschrikt Jampie aan.
“Je vader?” Sylvia wijst naar de tekening.
Jampie knikt. “En kijk ze eens vrolijk zwaaien.”
“Mm maar..” stamelt Sylvia.
“Shh” zegt Jampie “Laat maar. Ik weet het echt niet. En eerlijk gezegd wil ik het ook niet weten. Dit moet tussen ons blijven, Syl. We zeggen niets, tegen niemand. Mijn vader mag dit echt never nóóit te weten komen. Ik denk namelijk dat het geen nut heeft om mensen waarvan ik weet dat ze dood gaan hen het vervelende nieuws te brengen. Wat heeft het überhaupt voor nut dat ik kan zien wat er gebeuren gaat? Echt Syl, ik heb liever dat ik sommige dingen niet weet.”
Sylvia knikt. “Wil je me beloven dat je mij eerlijk zegt als je een tekening hebt gemaakt die, hoe zeg ik dat het beste?….die belangrijk voor mij is? Voor ons is?”
“Ja tuurlijk” zegt Jampie.

Kort na de begrafenis van zijn moeder zijn de zussen van Jampie het huis uit gegaan. Marja en Tineke kregen allebei een woning aangeboden in de nieuwe wijk aan de west-zijde van het oude Zevenhuizen. Daar zijn ze ieder met hun vriendje gaan samenwonen in een mooie eengezinswoning. Jampie’s vader gaat bijna iedere dag na het werk bij één van zijn dochters eten.

Jampie ging het eerste jaar ook regelmatig bij zijn zussen eten maar bleef steeds vaker in zijn atelier eten en slapen. Vorig jaar heeft hij de etage boven zijn atelier gekocht en daarbij meteen de ruimte van het atelier zelf. De eigenaar werd al oud en ging naar een verzorgingshuis. Hij bood Jampie de eerste keus om de benedenruimte en de eerste etage van hem te kopen. Jampie leek dat wel een slimme koop want als de stad er in de toekomst uit gaat zien zoals op zijn tekeningen dan zou het onroerend goed in de stad ook wel eens flink in waarde kunnen stijgen, zo was zijn gedachte.

Sylvia heeft vorig jaar haar HBO opleiding voltooid en daarna een baan aangenomen bij de Amro bank in de Rotterdamse binnenstad. Haar vader was daar niet blij mee maar Sylvia vond dat het tijd was om zelf keuzes te maken. Haar vader wist natuurlijk meteen dat Sylvia dan het huis uit zou gaan en bij Jampie in zou trekken. Dat is ook precies wat Sylvia heeft gedaan. Vanaf hun knusse stekje aan de Nieuwe Binnenweg is het voor Sylvia slechts tien minuten wandelen naar het statige hoofdkantoor aan de Coolsingel.

Een tweetal voorspellingen die Jampie’s tekeningen lijken weer te geven zijn enkele maanden geleden uitgekomen. De zussen van Jampie kwamen met het originele idee om op dezelfde dag te gaan trouwen. Tweelingbruidjes. Hun aanstaande echtgenoten vonden het idee ook wel leuk. Het zou hen immers veel geld voor de bruiloft besparen aangezien ze veel familieleden en vrienden delen. Het huwelijk werd gesloten voor de kerk en de gemeente. Nog geen week na de tweeling-bruiloft ontving Jampie van zijn zus Marja het vreselijke nieuws dat zijn vader van een steiger is gevallen. De val heeft hij niet overleefd. In één klap morsdood.

 

Het voltrekken van de twee huwelijken gebeurde in de kerk. Na de dienst gingen de bruidjes met hun kersverse echtgenoten foto’s maken in de tuin. Jampie had de hand van Sylvia vast en kneep er een keer in. Sylvia kneep terug. Beide herkenden de situatie meteen. Zij liepen hierna samen stilletjes terug naar de ingang van de kerk om naar Jampie’s tekening te kijken. Sylvia zag het als eerste. Zij en Jampie staan in de tekening naast elkaar in de menigte achter de bruidjes in de tuin. Sylvia in een zalmroze jurk en Jampie in een kobalt blauw tweedelig pak met stropdas. Jampie knikt. Zij hebben er de hele dag samen nog vele malen om moeten lachen.

 

Het overlijden van Jampie’s vader kwam voor Jampie en Sylvia niet als een verrassing. Zij spraken er samen wel eens over en hoopten eigenlijk dat het snel zou gebeuren. De wetenschap dat zijn vader dood zou gaan en het beseffen dat het elk moment zou kunnen gebeuren hielden Jampie en Sylvia in een mentale houtgreep. Op de tekening van Jampie, waar zijn vader en zijn moeder met Dirk vrolijk naar hem lijken zwaaien, ziet zijn vader er nog vrij jong uit. Hierdoor wist Jampie dat zijn dood nooit ver in de toekomst zou kunnen liggen. Elke morgen stond Jampie op met de gedachte dat het vandaag zou kunnen gebeuren. Dezelfde gedachte nam hij ’s avonds mee naar bed. Het onderdrukte zijn creatieve gedachten en van werken kwam niets terecht. Jampie’s vader is gekleed in zijn felrode hippe jasje voorgoed de kist in gegaan.

 

LOSLATEN EN ACCEPTEREN

Naar de begraafplaats gaat Jampie niet vaak meer. De laatste keer dat hij zijn ouders en zijn broer een bezoekje bracht was voordat hij naar de verjaardag van zijn zussen ging. Jampie heeft tijdens dat bezoek eerst bij zijn broer min of meer afscheid genomen. Niet dat Jampie zijn broer zou gaan vergeten maar Jampie vond dat hij zijn broer maar eens moet loslaten. Dat proces van loslaten heeft hij ongemerkt in de loop der jaren zelf in gang gezet. Omdat hij toch op de begraafplaats was heeft hij zijn ouders ook gedag gezegd. Hij zal vast nog wel eens bij hen langs komen maar hij heeft zijn ouders gezegd dat hij hen vanaf nu in zijn hart mee zal dragen. Dat voelt voor hem prettiger dan af en toe bij de steen komen staan. Jampie zij hen ook dat hij het gevoel heeft dat zij toch wel in zijn buurt zijn. Het gevoel dat Jampie kreeg na het bezoek aan de graven van zijn ouders en zijn broer was warm en gaf hem rust. Voor Jampie betekende dit gevoel dat zijn beslissing om niet vaak meer naar de begraafplaats te gaan, positief is aangekomen. Zowel bij hemzelf als bij zijn ouders en zijn broer.

….

Het is warm in het atelier. Jampie zit buiten voor het raam met een pot thee op een houten veilingkist naast hem. Hij zwaait naar mensen in de tram, fietsers en voetgangers. Soms komt er iemand een praatje bij hem maken. Hij krijgt zin om te gaan tekenen. Niet schilderen op zijn ezel maar gewoon tekenen. Net als vroeger. Hij loopt naar boven en komt na een paar minuten weer naar buiten met zijn oude tekenblok in zijn hand én het houten kistje met koperbeslag dat zijn vader voor hem gemaakt heeft. Uit het atelier haalt hij een klapstoeltje. Jampie sluit de deur van het atelier en draait het bordje aan de deur om. ‘Zo trug’.

Het is een herrie van jewelste op het Kruisplein. Jampie klapt het stoeltje uit, gaat zitten en zit binnen no-time helemaal in zijn teken-flow. Waarom weet hij niet maar iets in hem zegt dat hij een tekening van het station en het Weena moet gaan maken. Op dezelfde plek als waar hij het schilderij met de glim-wolkenkrabbers heeft getekend en waar hij de vreemde zon of lichtbal bovenin het kunstwerk heeft geschilderd.

Jampie kijkt stomverbaasd naar zijn tekening. Na een half uur tekenen is hij al klaar. Hij had verwacht minimaal twee uur bezig te zijn omdat omdat hij de vorige keer al die gebouwen heeft getekend. Nu is hij na een half uur al klaar en staat er geen enkel gebouw op de tekening. Jampie begrijpt er niets van. Wat hij ziet op zijn tekening lijkt in niets op zijn eerdere tekening en ook niet op wat hij werkelijk voor hem ziet. Maar hij weet één ding heel erg zeker. Wat hij zojuist heeft getekend is wat hij levensecht gezien heeft. Net zo echt als in alle eerdere tekeningen en schilderijen die stuk voor stuk allemaal uit zijn gekomen. Jampie meende zelfs geuren te kunnen ruiken. Beangstigende geuren. Jampie voelt een onaangename sensatie door zijn lijf stromen.

“Wat kijk je sip?” vraagt Sylvia. Ze heeft haar vest in haar linkerhand. Vanmorgen was het nog fris en had Sylvia het vest nodig maar nu in de late middag is het prima weer om zonder vest door de stad te wandelen.
Jampie haalt zijn schouders op. “Pak maar een mok, ik heb net een pot thee gemaakt.”
Sylvia loopt het atelier in, gooit haar tas en vest op een stoel, pakt een mok uit het keukenkastje en neemt onderweg naar buiten een klapstoeltje mee.

“Wat een heerlijk weer nog zo laat in het jaar” zegt Sylvia. “En dan zit ik de hele dag in dat muffe oude gebouw. Misschien moet ik maar wat anders gaan doen zodat ik meer buiten kan zijn en meer van het leven genieten, of zoiets.” Sylvia schenkt haar mok vol thee en leunt achterover in het klapstoeltje.
“Maar ja, er moet gewerkt worden, hè?” Sylvia neemt een voorzichtig nipje van de hete thee.
“Jij bent eigen baas en de hele dag zo goed als buiten, maar je ziet er niet uit alsof je er van hebt genoten, is het wel?” vraagt Sylvia.
Jampie zucht diep.

“Je herinnert je dat ene schilderij nog wel he? vraagt Jampie “Dat schilderij van het Weena met de hoge gebouwen”
Sylvia houdt haar mok met beide handen vast, kijkt jampie aan en neemt een slokje thee.
“Mmm, Mmm” mompelt Sylvia bevestigend. “Dat schilderij waar ik de kriebels van kreeg, met dat vreemde felle licht.”
“Ja, nou, vandaag heb ik een nieuwe gemaakt” zegt Jampie. “Geen schilderij maar een tekening. Ik kreeg die drang weer dus ben ik op hetzelfde plekkie gaan zitte. Nou…om een lang verhaal kort te make, dit is het resultaat.”
Jampie reikt onder zijn stoel, pakt zijn tekenblok en slaat het blok open op zijn meest recente kunstwerk.

“Je maakt een geintje zeker, hè?” vraagt Sylvia en kijkt Jampie vragend aan.
Jampie schudt zijn hoofd. “Dit is wat ik heb gezien. Net zo echt als die tram die nu stopt, of misschien nog wel echter dan die tram. Niet zo gers hoor, kan ik je zeggen.”
Sylvia’s mond valt open. Ze legt het tekenblok zachtjes op haar knieën.

De tekening laat een verlaten vlakte zien waar je tot de horizon kan kijken. Op de plaatsen waar Jampie in het schilderij de wolkenkrabbers en andere hoge moderne gebouwen heeft getekend heeft hij nu bergjes puin van staal, beton en stof getekend. Uit sommige hopen puin komen rookpluimen. Het Weena is niet meer te herkennen. Overal in de tekening liggen stukken beton, glas, staal en stof. Links in het schilderij is het verhoogde spoor nog wel te herkennen. Daar lijkt ook een vuurtje te branden, Jampie ziet wat geel-rode vlammen bij de sporen.

Geen mens te zien in zijn tekening. Geen levende ziel.

 

Sylvia draait haar hoofd naar Jampie.
“Wat nu?”
Jampie haalt zijn schouders op. “Gewoon doorgaan en doen of we van niks weten?”
“Maar we weten het wél!” zegt Sylvia.
Jampie kijkt Sylvia aan. “Maar wát weten we eigenlijk? Wanneer gebeurt wat wij denken te weten?”
Sylvia haalt haar schouders op.
“Ik zit hier al de hele middag over na te denken, Syl. De hoge gebouwen in het schilderij worden al gebouwd. Je ken al zien dat de verandering gaande is. Het zal een kwestie van jaren zijn voordat het hele Weena er precies zo uit zal zien als in het schilderij. Het station is nog niet zo oud dus lijkt het mij sterk dat ze dat al gauw gaan weg hale en om vervolgens dat glimmende star-trek ding neer te gaan zetten. Mijn conclusie is dat we nog wel enkele tientallen jaren voor de boeg hebbe. Hoop ik.”

“Dit zou me een beetje gerust moeten stellen?” vraagt Sylvia cynisch. “Weet je nog wat een hel het was te weten dat je vader elk moment zou kunnen overlijden? We gaan nu een zelfde periode in. Een periode zonder goed eind, lijkt het.”
Jampie knikt.
“Nou, daar heb ik ook over nagedacht. Op de tekeningen waar mijn ouders en broer op staan zie ik dat ze gelukkig zijn. Ze zwaaien niet zomaar, ze lijken een boodschap over te brengen. Hun lach is puur, dat zie ik. Dat zag ik ook toen ik het tekende. Ik herinner mij de emoties nog die ik voelde tijdens het tekenen. Niet de beelden. De emoties.
Waar zij zijn hebben ze het goed. Ze hebben het beter dan ze het hier ooit hebben gehad.”

Jampie pakt de linkerhand van Sylvia en kijkt haar aan.
“Wij hoeven nergens bang voor te zijn, dát heb ik gezien. En meer weten hoeven we niet. Ik teken en schilder vanaf nu niet meer buiten. Ik werk alleen nog maar uit mijn hoofd. Zo laat ik de toekomst waar die thuis hoort. Ver weg.

Laten wij doen wat ons drijft en waar we goed in zijn.”
Sylvia knikt en glimlacht. “Je hebt gelijk. We zijn lekker bezig. Maar ik ga nu zeker overwegen of ik niet beter een baan kan vinden waar ik niet de hele dag tussen suffe muren en suffe collega’s in zit.
Jampie lacht en pakt zijn kop thee van de houten veilingkist.
Sylvia reikt haar mok met thee naar die van Jampie
“Proost”

Zij leefden…..….gelukkig.

 

Arjan Eikelenboom
London

Copyright Arjan Eikelenboom

Advertisements

2 Comments Add yours

  1. Martin je achterbuurjongen says:

    Schitterend geschreven. Je blijft lezen. Herkenbaar ook bovendien. Top

  2. Inderdaad…..”Gers”!

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s